BWBR0004641
Geldig vanaf 1990-01-01
Artikel 4a
Besluit rechtspositie en bezoldiging voorzitter en leden van Commissariaat voor de Media
1. Indien een lid van het Commissariaat na ommekomst van de benoemingstermijn niet wordt herbenoemd, heeft hij aanspraak op een uitkering overeenkomstig de volgende leden.
2. De uitkering, bedoeld in het eerste lid, wordt toegekend voor een periode gelijk aan het tijdvak waarin betrokkene zonder onderbreking als lid van het Commissariaat heeft gefungeerd, met dien verstande dat de uitkering in ieder geval eindigt met ingang van de dag waarop betrokkene de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt of met ingang van de dag volgende op die waarop betrokkene is overleden.
3. De uitkering, bedoeld in het eerste lid, wordt niet toegekend indien betrokkene op eigen verzoek niet als lid van het Commissariaat wordt herbenoemd of herbenoeming weigert.
4. De uitkering, bedoeld in het eerste lid, bedraagt gedurende het eerste jaar 80% en vervolgens 70% van de laatstelijk als lid van het Commissariaat genoten bruto bezoldiging, vermeerderd met de vakantie-uitkering.
5. Indien in de bezoldiging van het rijkspersoneel een wijziging wordt aangebracht, wordt de in het vierde lid bedoelde laatstelijk genoten bezoldiging voor de toepassing van dat lid met ingang van het tijdstip van ingang van de bezoldigingswijziging overeenkomstig aangepast.
6. Inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf die niet reeds werden genoten tijdens de uitoefening van de functie, worden met de uitkering verrekend. Deze verrekening geschiedt aldus dat de uitkering wordt verminderd met het bedrag waarmee de uitkering, vermeerderd met die inkomsten, de laatstelijk genoten bruto-bezoldiging en de vakantie-uitkering, waarvan de uitkering is afgeleid, met een bij ministeriële regeling vast te stellen percentage of meer overschrijdt.
2. De uitkering, bedoeld in het eerste lid, wordt toegekend voor een periode gelijk aan het tijdvak waarin betrokkene zonder onderbreking als lid van het Commissariaat heeft gefungeerd, met dien verstande dat de uitkering in ieder geval eindigt met ingang van de dag waarop betrokkene de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt of met ingang van de dag volgende op die waarop betrokkene is overleden.
3. De uitkering, bedoeld in het eerste lid, wordt niet toegekend indien betrokkene op eigen verzoek niet als lid van het Commissariaat wordt herbenoemd of herbenoeming weigert.
4. De uitkering, bedoeld in het eerste lid, bedraagt gedurende het eerste jaar 80% en vervolgens 70% van de laatstelijk als lid van het Commissariaat genoten bruto bezoldiging, vermeerderd met de vakantie-uitkering.
5. Indien in de bezoldiging van het rijkspersoneel een wijziging wordt aangebracht, wordt de in het vierde lid bedoelde laatstelijk genoten bezoldiging voor de toepassing van dat lid met ingang van het tijdstip van ingang van de bezoldigingswijziging overeenkomstig aangepast.
6. Inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf die niet reeds werden genoten tijdens de uitoefening van de functie, worden met de uitkering verrekend. Deze verrekening geschiedt aldus dat de uitkering wordt verminderd met het bedrag waarmee de uitkering, vermeerderd met die inkomsten, de laatstelijk genoten bruto-bezoldiging en de vakantie-uitkering, waarvan de uitkering is afgeleid, met een bij ministeriële regeling vast te stellen percentage of meer overschrijdt.