1. De door het bevoegde gezag van een lagere overheid gedane uitkering over de periode 1 januari 1991 tot de datum waarop bij deze lagere overheid de
WW-bodemvoorziening in de ambtelijke ontslaguitkeringsregelingen wordt ingevoerd doch uiterlijk tot 1 augustus 1991, wordt op declaratie vergoed door de minister.
2. De declaraties over de maanden januari tot en met mei 1991 worden vóór 1 juli 1991 en de declaraties over de maanden juni en juli 1991 worden uiterlijk op 1 november 1991 bij de minister ingediend.
3. De in het tweede lid bedoeld declaraties vermelden het totaalbedrag aan betaalde uitkeringen over de maand of maanden waarop de declaratie betrekking heeft en gaan vergezeld van een nominatieve en gespecificeerde opgave van de per maand aan een individuele uitkeringsgerechtigde uitbetaalde uitkering.
4. Bij de indiening van de declaraties dient het bevoegde gezag van de lagere overheid een verklaring over te leggen waaruit blijkt dat de uitkering is gebaseerd op een verordening die over de periode waarop de declaratie betrekking heeft overeenkomt met de Tijdelijke
regelingWWV-vervangende uitkering (Stb. 1987, 400), zoals deze regeling luidde tot en met 31 maart 1991, onder vermelding van het besluit waarbij deze verordening is vastgesteld.
5. De minister kan binnen een maand na de ontvangst van een declaratie bepalen dat een accountantsverklaring wordt overgelegd die betrekking heeft op de over de eerste zeven maanden van 1991 betaalde uitkeringen. Daarbij zal zoveel mogelijk worden aangesloten bij de wettelijk vereiste controle op de jaarrekening 1991, met dien verstande dat deze verklaring uiterlijk eind 1992 beschikbaar moet zijn. In geval een accountantsverklaring wordt gevraagd, vindt de betaalbaarstelling van de declaratie plaats bij wijze van voorschot, waarna een definitieve vaststelling plaatsvinden na ontvangst van de verklaring.