5.1. Algemene bepalingen
Het minimale aantal manometers dat aan het onderzoek tot EEG-modelgoedkeuring wordt onderworpen, wordt vastgesteld op twee. Afhankelijk van het verloop van de proeven kan de ijkinstelling meer exemplaren verlangen.
5.2. Onderzoek naar het voldoen aan de technische en metrologische voorschriften
De manometers die aan de EEG-modelgoedkeuring worden onderworpen, moeten een onderzoek ondergaan dat is gebaseerd op de voorschriften van de punten 2, 3 en 4. Dit onderzoek omvat de volgende proeven die worden uitgevoerd met gebruikmaking van ijkmanometers waarvan de fouten niet groter mogen zijn dan een kwart (1/4) van de maximaal toelaatbare fouten voor de te onderzoeken manometers.
5.2.1 Vaststelling van de fout van het instrument De controle van de aanwijzingen van de manometers moet worden verricht op ten minste vijf gelijkmatig over de schaal verdeelde punten (met inbegrip van een punt, dicht bij de bovengrens van het meetbereik, en een punt, dicht bij de ondergrens van het meetbereik).
5.2.2 Vaststelling van de omkeerbaarheidsfout Deze proef mag alleen worden uitgevoerd op instrumenten waarmee bij normaal gebruik dalende drukwaarden kunnen worden gemeten. De proef bestaat uit het registreren van de aanwijzingen van de manometers op ten minste vijf gelijkmatig over de schaal verdeelde punten (met inbegrip van een punt, dicht bij de bovengrens, en een punt, dicht bij de ondergrens van het meetbereik) bij stijgende en dalende drukwaarden. De registratie van de aanwijzingen bij de afnemende waarden wordt verricht nadat de manometer gedurende 20 minuten op een druk is gehouden die gelijk is aan de waarde van de bovengrens van het meetbereik.
5.2.3 Onderzoek van de continuïteit van de manometereigenschappen De manometers worden aan de volgende proeven onderworpen: a. blootstelling gedurende 15 minuten aan een druk die de bovengrens van het meetbereik van de schaal met 25% overschrijdt;
b. 1000 drukstoten met een druk die varieert van 0 tot 90/95% van de bovengrens van het meetbereik;
c. 10 000 cyclussen met een druk die langzaam verloopt van ongeveer 20 tot ongeveer 75% van de bovengrens van het meetbereik en met een frequentie van ten hoogste 60 cyclussen per minuut;
d. blootstelling gedurende 6 uur aan een omgevingstemperatuur van - 20 °c, en gedurende 6 uur aan een omgevingstemperatuur van + 50 °c. In aansluiting op de onder a, b en c genoemde proeven moeten de manometers, na een rustperiode van een uur, voldoen aan de voorschriften van de punten 2.1, 2.3 en 2.4. Na de onder d genoemde temperatuurproef moeten de manometers gedurende 6 uur aan een temperatuur binnen het temperatuurreferentiegebied worden blootgesteld. Na het verstrijken van deze rustperiode moeten de manometers voldoen aan de voorschriften van de punten 2.1, 2.3 en 2.4.
a. blootstelling gedurende 15 minuten aan een druk die de bovengrens van het meetbereik van de schaal met 25% overschrijdt;
b. 1000 drukstoten met een druk die varieert van 0 tot 90/95% van de bovengrens van het meetbereik;
c. 10 000 cyclussen met een druk die langzaam verloopt van ongeveer 20 tot ongeveer 75% van de bovengrens van het meetbereik en met een frequentie van ten hoogste 60 cyclussen per minuut;
d. blootstelling gedurende 6 uur aan een omgevingstemperatuur van - 20 °c, en gedurende 6 uur aan een omgevingstemperatuur van + 50 °c.
5.2.4 Variaties als gevolg van de temperatuur Deze proef behelst de vaststelling van de variatie van de aanwijzing bij een bepaalde druk - bij temperaturen van - 10 °c en + 40 °c - ten opzichte van de aanwijzing binnen het temperatuurreferentiegebied.