BWBR0004423
Geldig vanaf 1998-01-01
Artikel 21
Postwet
1. Onze Minister is bevoegd de houder van de concessie aanwijzingen te geven met betrekking tot het postvervoer, bedoeld in artikel 2, eerste lid, naar, van, of in het gebied waarvoor een besluit als bedoeld in artikel 19van kracht is.
2. Onze Minister kan bij toepassing van het eerste lid afwijken van de verplichtingen die ingevolge de artikelen 2, eerste lid,, “lid,,” moet zijn “lid,”3, eerste lid, en 5op de houder van de concessie rusten.
3. De aanwijzingen die ingevolge het eerste lid aan de houder van de concessie zijn gegeven, zijn voor deze verbindend.
4. De exploitanten van openbare vervoermiddelen zijn gehouden om bij de uitvoering van de in artikel 8, tweede lid, bedoelde verplichting mee te werken aan de uitvoering door de houder van de concessie van aanwijzingen gegeven krachtens het eerste lid.
5. Indien de houder van de concessie of een exploitant van openbare vervoermiddelen als gevolg van aanwijzingen gegeven krachtens het eerste lid onevenredig financieel nadeel ondervindt, kent Onze Minister de betrokkene een naar billijkheid te bepalen vergoeding toe.
2. Onze Minister kan bij toepassing van het eerste lid afwijken van de verplichtingen die ingevolge de artikelen 2, eerste lid,, “lid,,” moet zijn “lid,”3, eerste lid, en 5op de houder van de concessie rusten.
3. De aanwijzingen die ingevolge het eerste lid aan de houder van de concessie zijn gegeven, zijn voor deze verbindend.
4. De exploitanten van openbare vervoermiddelen zijn gehouden om bij de uitvoering van de in artikel 8, tweede lid, bedoelde verplichting mee te werken aan de uitvoering door de houder van de concessie van aanwijzingen gegeven krachtens het eerste lid.
5. Indien de houder van de concessie of een exploitant van openbare vervoermiddelen als gevolg van aanwijzingen gegeven krachtens het eerste lid onevenredig financieel nadeel ondervindt, kent Onze Minister de betrokkene een naar billijkheid te bepalen vergoeding toe.