1. Het is verboden één of meer legkippen in een kooi te houden.
2. Het in het eerste lid bedoelde verbod is niet van toepassing op kooien die voldoen aan de volgende eisen:
a. de kooi-oppervlakte dient ten minste 450 cm2 per legkip te bedragen;
b. de hoogte van de kooi dient ten minste 40 cm te zijn over 65% van de kooi-oppervlakte en mag over de ingevolge onderdeel a voorgeschreven oppervlakte nergens lager zijn dan 35 cm;
c. de voederbaklengte dient ten minste 10 cm per legkip te bedragen;
d. de bodem van de kooi dient: 1°. elk van de naar voren gerichte tenen van een poot van een legkip te kunnen steunen;
2°. géén grotere helling te hebben dan 14% of 8 graden;
1°. elk van de naar voren gerichte tenen van een poot van een legkip te kunnen steunen;
2°. géén grotere helling te hebben dan 14% of 8 graden;
e. de watervoorziening van de legkippen dient plaats te vinden door middel van: 1°. ten minste twee per kooi bereikbare drinknippels of drinkbakjes, of
2°. een continu werkend drinkwaterkanaal met eenzelfde lengte als bedoeld in onderdeel c.
1°. ten minste twee per kooi bereikbare drinknippels of drinkbakjes, of
2°. een continu werkend drinkwaterkanaal met eenzelfde lengte als bedoeld in onderdeel c.
3. Onze Minister kan in afwijking van het bepaalde in het tweede lid, onderdeel
d, onder 2°, bij regeling een steilere helling toestaan voor bodems waarin ander dan rechthoekig draadgaas als bodemmateriaal wordt toegepast.
4. Het is verboden in strijd te handelen met de door Onze Minister bij regeling vastgestelde algemeen geldende voorschriften die bij het houden van legkippen in kooien in acht dienen te worden genomen.
5. Het bepaalde in het eerste lid is tot 1 januari 1995 niet van toepassing op een kooi die vóór de inwerkingtreding van dit besluit voor het eerst in gebruik is genomen, mits die kooi voldoet aan de eisen en onder de voorwaarden valt zoals neergelegd in artikel 2, eerste lid, onderdelen
aen
b, tweede en derde lid, van de
Wet houdende vaststelling van minimumeisen voor het houden van legkippen.
6. Onze Minister stelt bij regeling regelen omtrent de wijze waarop ten zijner genoegen dient te worden aangetoond dat de kooi vóór de inwerkingtreding van dit besluit voor het eerst in gebruik is genomen.