BWBR0004235
Geldig vanaf 1987-04-29
Artikel 3
C- en D- eindexamenprogramma's voor Nederlandse taal en moderne vreemde talen
3.1.1. De leesvaardigheid (intensief lezen)
Het onderdeel dat in het c.s.e. getoetst wordt is het intensief lezen, ook wel tekstbegrip genoemd. De kandidaten moeten de essentiële informatie - d.w.z. de hoofdzaken en de belangrijkste details - kunnen begrijpen die hun wordt aangeboden op basis van een aantal authentieke teksten.
3.2.1. De gespreksvaardigheid
In een voorgestructureerd gesprek dat een duur heeft van tenminste 15 minuten, worden aan de kandidaten een aantal functionele situaties voorgelegd die zich - op de beginsituatie na - stuk voor stuk ontwikkelen uit de voorafgaande situatie, dan wel geen directe logische samenhang vertonen. In elke situatie moet de kandidaat zich inleven, en zich voorstellen dat hij/zij zelf in die situatie geraakt is. De onderwerpen van het gesprek dienen van te voren aan de kandidaat bekend te zijn (zie hiervoor B.2.1.). De examinator vervult de rol van de meestal wisselende tegenspeler in de verschillende situaties. Door het stellen van gerichte vragen bepaalt de examinator de structuur van het gesprek; daarbij dienen verschillende taalfuncties en rollen aan de orde te komen. De situaties dienen zodanig gekozen te worden dat de kandidaat er zich ook gemakkelijk in kan inleven. Bij de beoordeling van gespreksvaardigheid gelden twee criteria: begrijpelijkheid en formele correctheid. Ten aanzien van het tweede criterium worden op D-niveau hogere eisen gesteld dan op C-niveau.
3.2.2. De leesvaardigheid (extensief lezen)
De C-kandidaten moeten minstens 3 boeken lezen met als basisvocabulaire de eerste 2000 woorden uit de gangbare woordfrequentielijsten. De D-kandidaten moeten minstens 4 boeken lezen met als basisvocabulaire de eerste 3000 woorden uit de gangbare woordfrequentielijsten.
Het is de kandidaat toegestaan één of meer van de voorgeschreven boeken te vervangen door één of meer series artikelen e.d., mits het geheel qua geleverde prestatie redelijkerwijze overeenstemt met de bedoelde boeken. Scholen die dit wensen kunnen daarnaast tevens leesvaardigheid toetsen aan de hand van beroepsgerichte teksten. Hiervoor komen in aanmerking artikelen uit tijdschriften; afgeronde eenheden uit instructieboeken, al dan niet voorzien van illustraties; gebruiksvoorschriften enz. Deze scholen kunnen hiermee hun onderwijs in de vreemde talen nog meer doen aansluiten bij de interesse en toekomstige behoeften van hun leerlingen. Het onderzoek naar leesvaardigheid in het schoolonderzoek dient vast te stellen of en in hoeverre boeken en/of artikelen gelezen zijn. Bij dit onderzoek, dat schriftelijk of mondeling kan worden uitgevoerd, moet zoveel mogelijk worden vermeden dat elementen van spreek- of schrijfvaardigheid bij de beoordeling van leesvaardigheid betrokken worden.
3.2.3. De schrijfvaardigheid
De kandidaten moeten een eenvoudige niet-beroepsgerichte brief schrijven in antwoord op een zogenaamd aan hen gerichte, informele brief in de vreemde taal, of als reactie op een advertentie in die taal, of als reactie op een hun voorgelegde situatie. Deze situatie moet duidelijk in het nederlands beschreven zijn, en de kandidaten moeten er zichzelf gemakkelijk in kunnen verplaatsen. De door de kandidaten te schrijven brief moet worden opgesteld met behulp van in het Nederlands gestelde functionele opdrachten. Indien een school het noodzakelijk vindt dat haar kandidaten een eenvoudige beroepsgerichte brief kunnen schrijven, dan heeft zij de vrijheid deze brief in het s.o. onder te brengen. Scholen kunnen een onderzoek instellen naar de deelvaardigheid grammaticale en idiomatische kennis. Dit onderzoek dient in een communicatieve context plaats te vinden.
Het cijfer voor schrijfvaardigheid dient voor het belangrijkste deel door de brief bepaald te worden.
Bij de beoordeling van de brief gelden drie criteria. Hoofdcriterium zal zijn de doeltreffendheid van de communicatie, d.w.z. dat een lezer die de vreemde taal beheerst als moedertaal of op een daarmee vergelijkbaar niveau, de schrijver zonder veel moeite moet kunnen begrijpen. Tweede criterium zal zijn in hoeverre de kandidaat is ingegaan op de hoofdzaken en de belangrijkste details in de te beantwoorden brief. Het derde criterium betreft de correctheid van taalgebruik. Met name ten aanzien van dit laatste criterium worden op D-niveau zwaardere eisen gesteld dan op C-niveau.
3.2.4. De luistervaardigheid
De luistervaardigheid wordt getoetst door na te gaan in hoeverre de kandidaat de hoofdzaken en de belangrijkste details uit een aantal fragmenten van authentieke spreektaal, gesproken door "native speakers" of sprekers die de vreemde taal op een daarmee vergelijkbaar niveau beheersen, heeft begrepen. Het beroep op het geheugen blijft bij de toetsing van deze vaardigheid zoveel mogelijk beperkt.
Het onderdeel dat in het c.s.e. getoetst wordt is het intensief lezen, ook wel tekstbegrip genoemd. De kandidaten moeten de essentiële informatie - d.w.z. de hoofdzaken en de belangrijkste details - kunnen begrijpen die hun wordt aangeboden op basis van een aantal authentieke teksten.
3.2.1. De gespreksvaardigheid
In een voorgestructureerd gesprek dat een duur heeft van tenminste 15 minuten, worden aan de kandidaten een aantal functionele situaties voorgelegd die zich - op de beginsituatie na - stuk voor stuk ontwikkelen uit de voorafgaande situatie, dan wel geen directe logische samenhang vertonen. In elke situatie moet de kandidaat zich inleven, en zich voorstellen dat hij/zij zelf in die situatie geraakt is. De onderwerpen van het gesprek dienen van te voren aan de kandidaat bekend te zijn (zie hiervoor B.2.1.). De examinator vervult de rol van de meestal wisselende tegenspeler in de verschillende situaties. Door het stellen van gerichte vragen bepaalt de examinator de structuur van het gesprek; daarbij dienen verschillende taalfuncties en rollen aan de orde te komen. De situaties dienen zodanig gekozen te worden dat de kandidaat er zich ook gemakkelijk in kan inleven. Bij de beoordeling van gespreksvaardigheid gelden twee criteria: begrijpelijkheid en formele correctheid. Ten aanzien van het tweede criterium worden op D-niveau hogere eisen gesteld dan op C-niveau.
3.2.2. De leesvaardigheid (extensief lezen)
De C-kandidaten moeten minstens 3 boeken lezen met als basisvocabulaire de eerste 2000 woorden uit de gangbare woordfrequentielijsten. De D-kandidaten moeten minstens 4 boeken lezen met als basisvocabulaire de eerste 3000 woorden uit de gangbare woordfrequentielijsten.
Het is de kandidaat toegestaan één of meer van de voorgeschreven boeken te vervangen door één of meer series artikelen e.d., mits het geheel qua geleverde prestatie redelijkerwijze overeenstemt met de bedoelde boeken. Scholen die dit wensen kunnen daarnaast tevens leesvaardigheid toetsen aan de hand van beroepsgerichte teksten. Hiervoor komen in aanmerking artikelen uit tijdschriften; afgeronde eenheden uit instructieboeken, al dan niet voorzien van illustraties; gebruiksvoorschriften enz. Deze scholen kunnen hiermee hun onderwijs in de vreemde talen nog meer doen aansluiten bij de interesse en toekomstige behoeften van hun leerlingen. Het onderzoek naar leesvaardigheid in het schoolonderzoek dient vast te stellen of en in hoeverre boeken en/of artikelen gelezen zijn. Bij dit onderzoek, dat schriftelijk of mondeling kan worden uitgevoerd, moet zoveel mogelijk worden vermeden dat elementen van spreek- of schrijfvaardigheid bij de beoordeling van leesvaardigheid betrokken worden.
3.2.3. De schrijfvaardigheid
De kandidaten moeten een eenvoudige niet-beroepsgerichte brief schrijven in antwoord op een zogenaamd aan hen gerichte, informele brief in de vreemde taal, of als reactie op een advertentie in die taal, of als reactie op een hun voorgelegde situatie. Deze situatie moet duidelijk in het nederlands beschreven zijn, en de kandidaten moeten er zichzelf gemakkelijk in kunnen verplaatsen. De door de kandidaten te schrijven brief moet worden opgesteld met behulp van in het Nederlands gestelde functionele opdrachten. Indien een school het noodzakelijk vindt dat haar kandidaten een eenvoudige beroepsgerichte brief kunnen schrijven, dan heeft zij de vrijheid deze brief in het s.o. onder te brengen. Scholen kunnen een onderzoek instellen naar de deelvaardigheid grammaticale en idiomatische kennis. Dit onderzoek dient in een communicatieve context plaats te vinden.
Het cijfer voor schrijfvaardigheid dient voor het belangrijkste deel door de brief bepaald te worden.
Bij de beoordeling van de brief gelden drie criteria. Hoofdcriterium zal zijn de doeltreffendheid van de communicatie, d.w.z. dat een lezer die de vreemde taal beheerst als moedertaal of op een daarmee vergelijkbaar niveau, de schrijver zonder veel moeite moet kunnen begrijpen. Tweede criterium zal zijn in hoeverre de kandidaat is ingegaan op de hoofdzaken en de belangrijkste details in de te beantwoorden brief. Het derde criterium betreft de correctheid van taalgebruik. Met name ten aanzien van dit laatste criterium worden op D-niveau zwaardere eisen gesteld dan op C-niveau.
3.2.4. De luistervaardigheid
De luistervaardigheid wordt getoetst door na te gaan in hoeverre de kandidaat de hoofdzaken en de belangrijkste details uit een aantal fragmenten van authentieke spreektaal, gesproken door "native speakers" of sprekers die de vreemde taal op een daarmee vergelijkbaar niveau beheersen, heeft begrepen. Het beroep op het geheugen blijft bij de toetsing van deze vaardigheid zoveel mogelijk beperkt.