BWBR0004174
Geldig vanaf 1987-09-01
Artikel 4
Besluit emissie-eisen NOx salpeterzuurfabrieken
1. De houder van een salpeterzuurfabriek is verplicht de NOx-concentratie, uitgedrukt in tientallen ppm NO2, in het afgas te meten en te registreren.
2. De meetinstallatie moet omvatten een monsternemingssysteem, een meetapparaat dat ieder moment de NOx-concentratie bepaalt, en een apparaat dat bij voortduring de NOx-concentratie vastlegt. Iedere dag moeten ten minste éénmaal de uurgemiddelde concentraties over die dag vastgesteld worden.
3. Het in het tweede lid bedoelde meetapparaat moet alle NOx-concentraties in de afgassen tussen 0 en 1000 ppm kunnen meten.
4. Het aansluitingspunt van het monsternemingssysteem moet zich bevinden in de afgasleiding en wel zo ver van een eventueel stroomafwaarts gelegen injectiepunt van lucht in het afgas, dat de gassamenstelling op het meetpunt geen invloed ondervindt van de luchtinjectie.
5. De meetinstallatie moet zijn opgesteld in een deugdelijke, afsluitbare instrumentenkast. De instrumentenkast moet onder normale omstandigheden zijn afgesloten.
6. Het monsternemingssysteem moet een zodanige constructie hebben, dat:
a. de samenstelling van het gasvormige gedeelte van het monster hetzelfde is als die van het afgas of verdund is met lucht in een bekende en constante verhouding;
b. er geen stof in het monster aanwezig is, dat het monsternemingssysteem zou kunnen verstoppen en het functioneren van het meetapparaat nadelig zou kunnen beïnvloeden;
c. geen condensatie van water of zuur kan optreden;
d. ijkgassen en gassen voor de nulpuntafstelling door de meetinstallatie kunnen worden gestuurd voor de controle en afstelling onder bedrijfscondities van het meetapparaat.
7. Bij in bedrijf zijn van een salpeterzuurfabriek moet éénmaal per week een nulpuntafstelling plaatsvinden en het meetsysteem worden gecalibreerd met ijkgassen waarin NOx aanwezig moet zijn in een concentratie van 220 ppm. In afwijking van de eerste volzin moet bij bestaande salpeterzuurfabrieken NOx in de ijkgassen aanwezig zijn in een concentratie van 600 ppm dan wel in een concentratie die overeenkomt met de volgens de vergunning voor de bestaande salpeterzuurfabriek maximaal toegestane concentratie van NOx in het afgas. Indien meting plaatsvindt met een systeem waarbij het gasmonster wordt verdund, moeten de ijkgassen door de verdunningsapparatuur gestuurd worden.
8. Onze Minister kan nadere regels stellen met betrekking tot het monsternemingssysteem, het meetapparaat en de calibratie.
2. De meetinstallatie moet omvatten een monsternemingssysteem, een meetapparaat dat ieder moment de NOx-concentratie bepaalt, en een apparaat dat bij voortduring de NOx-concentratie vastlegt. Iedere dag moeten ten minste éénmaal de uurgemiddelde concentraties over die dag vastgesteld worden.
3. Het in het tweede lid bedoelde meetapparaat moet alle NOx-concentraties in de afgassen tussen 0 en 1000 ppm kunnen meten.
4. Het aansluitingspunt van het monsternemingssysteem moet zich bevinden in de afgasleiding en wel zo ver van een eventueel stroomafwaarts gelegen injectiepunt van lucht in het afgas, dat de gassamenstelling op het meetpunt geen invloed ondervindt van de luchtinjectie.
5. De meetinstallatie moet zijn opgesteld in een deugdelijke, afsluitbare instrumentenkast. De instrumentenkast moet onder normale omstandigheden zijn afgesloten.
6. Het monsternemingssysteem moet een zodanige constructie hebben, dat:
a. de samenstelling van het gasvormige gedeelte van het monster hetzelfde is als die van het afgas of verdund is met lucht in een bekende en constante verhouding;
b. er geen stof in het monster aanwezig is, dat het monsternemingssysteem zou kunnen verstoppen en het functioneren van het meetapparaat nadelig zou kunnen beïnvloeden;
c. geen condensatie van water of zuur kan optreden;
d. ijkgassen en gassen voor de nulpuntafstelling door de meetinstallatie kunnen worden gestuurd voor de controle en afstelling onder bedrijfscondities van het meetapparaat.
7. Bij in bedrijf zijn van een salpeterzuurfabriek moet éénmaal per week een nulpuntafstelling plaatsvinden en het meetsysteem worden gecalibreerd met ijkgassen waarin NOx aanwezig moet zijn in een concentratie van 220 ppm. In afwijking van de eerste volzin moet bij bestaande salpeterzuurfabrieken NOx in de ijkgassen aanwezig zijn in een concentratie van 600 ppm dan wel in een concentratie die overeenkomt met de volgens de vergunning voor de bestaande salpeterzuurfabriek maximaal toegestane concentratie van NOx in het afgas. Indien meting plaatsvindt met een systeem waarbij het gasmonster wordt verdund, moeten de ijkgassen door de verdunningsapparatuur gestuurd worden.
8. Onze Minister kan nadere regels stellen met betrekking tot het monsternemingssysteem, het meetapparaat en de calibratie.