BWBR0004083
Geldig vanaf 2004-11-12
Artikel 3
Regels gelijkstelling ander inkomen met loondervingsuitkering
1. In afwijking van artikel 2wordt met de loondervingsuitkering gelijkgesteld al het inkomen uit of in verband met arbeid in het bedrijfs- en beroepsleven van de persoon die aanspraak maakt op toeslag, indien die persoon:
a. niet volledig werkloos is en zijn dagloon niet verlaagd is naar evenredigheid van de verloren arbeidsuren, of
b. recht heeft op een uitkering op grond van de Ziektewet (St. 1967, 473) met toepassing van artikel 30 of 31 van die wet, of
c. recht heeft op een uitkering in verband met arbeidsongeschiktheid gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 80–100%.
2. Indien de toepassing van het eerste lid er toe leidt dat de toeslag minder bedraagt dan het verschil tussen 100/70 maal de loondervingsuitkering en de som van de loondervingsuitkering en een aanvulling daarop, wordt de gelijkstelling als bedoeld in het eerste lid zodanig beperkt, dat de toeslag gelijk is aan het verschil tussen 100/70 maal de loondervingsuitkering en de som van de loondervingsuitkering en een aanvulling daarop.
a. niet volledig werkloos is en zijn dagloon niet verlaagd is naar evenredigheid van de verloren arbeidsuren, of
b. recht heeft op een uitkering op grond van de Ziektewet (St. 1967, 473) met toepassing van artikel 30 of 31 van die wet, of
c. recht heeft op een uitkering in verband met arbeidsongeschiktheid gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 80–100%.
2. Indien de toepassing van het eerste lid er toe leidt dat de toeslag minder bedraagt dan het verschil tussen 100/70 maal de loondervingsuitkering en de som van de loondervingsuitkering en een aanvulling daarop, wordt de gelijkstelling als bedoeld in het eerste lid zodanig beperkt, dat de toeslag gelijk is aan het verschil tussen 100/70 maal de loondervingsuitkering en de som van de loondervingsuitkering en een aanvulling daarop.