BWBR0004043
Geldig vanaf 1987-01-01
Artikel 5
Toeslagenwet
1. Indien de loondervingsuitkering gedeeltelijk wordt geweigerd op grond van enig handelen of nalaten van betrokkene dat hem redelijkerwijs kan worden verweten, of het recht op loon, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0005290/artikel/629" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek</a>, dan wel de bezoldiging of hetgeen daarmee overeenkomt, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0001888/artikel/76a" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 76a van de Ziektewet</a>, gedeeltelijk ontbreekt dan wel de betaling daarvan is opgeschort door toepassing van het <a href="/wet/BWBR0005290/artikel/629" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">derde of zesde lid van genoemd artikel 629</a>, het <a href="/wet/BWBR0001888/artikel/76b" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">eerste tot en met derde lid van artikel 76b van de Ziektewet</a>of <a href="/wet/BWBR0001888/artikel/76c" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 76c van de Ziektewet</a>wordt voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen de loondervingsuitkering in aanmerking genomen alsof die weigering niet heeft plaatsgevonden en het loon, de bezoldiging of hetgeen daarmee overeenkomt alsof die artikelleden niet zijn toegepast.
2. Geen recht op toeslag bestaat, indien de loondervingsuitkering, het loon, de bezoldiging of hetgeen daarmee overeenkomt, bedoeld in het eerste lid, niet tot uitbetaling komt op grond van enig handelen of nalaten van betrokkene dat hem redelijkerwijs kan worden verweten.
3. Indien bij samenloop van loondervingsuitkeringen op grond van enig handelen of nalaten van betrokkene dat hem redelijkerwijs kan worden verweten een of meer van de loondervingsuitkeringen gedeeltelijk worden geweigerd of niet tot uitbetaling komen, wordt voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen het inkomen in aanmerking genomen alsof die weigering niet heeft plaatsgevonden respectievelijk alsof die uitbetaling heeft plaatsgevonden.
4. Indien de uitkering op grond van de <a href="/wet/BWBR0004045" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Werkloosheidswet</a>is verminderd omdat de betrokkene in een kalenderweek minder beschikbaar voor arbeid is dan zijn gemiddeld aantal arbeidsuren per kalenderweek, en er een inkomen als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0004045/artikel/1b" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 1b, vijfde lid, van de Werkloosheidswet</a>, is berekend, wordt voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen de uitkering op grond van de Werkloosheidswet in aanmerking genomen alsof die vermindering niet heeft plaatsgevonden.
5. Indien de uitkering op grond van <a href="/wet/BWBR0004045/artikel/47b" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 47b van de Werkloosheidswet</a>is verminderd, wordt voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen de uitkering in aanmerking genomen alsof die vermindering niet heeft plaatsgevonden.
2. Geen recht op toeslag bestaat, indien de loondervingsuitkering, het loon, de bezoldiging of hetgeen daarmee overeenkomt, bedoeld in het eerste lid, niet tot uitbetaling komt op grond van enig handelen of nalaten van betrokkene dat hem redelijkerwijs kan worden verweten.
3. Indien bij samenloop van loondervingsuitkeringen op grond van enig handelen of nalaten van betrokkene dat hem redelijkerwijs kan worden verweten een of meer van de loondervingsuitkeringen gedeeltelijk worden geweigerd of niet tot uitbetaling komen, wordt voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen het inkomen in aanmerking genomen alsof die weigering niet heeft plaatsgevonden respectievelijk alsof die uitbetaling heeft plaatsgevonden.
4. Indien de uitkering op grond van de <a href="/wet/BWBR0004045" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Werkloosheidswet</a>is verminderd omdat de betrokkene in een kalenderweek minder beschikbaar voor arbeid is dan zijn gemiddeld aantal arbeidsuren per kalenderweek, en er een inkomen als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0004045/artikel/1b" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 1b, vijfde lid, van de Werkloosheidswet</a>, is berekend, wordt voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen de uitkering op grond van de Werkloosheidswet in aanmerking genomen alsof die vermindering niet heeft plaatsgevonden.
5. Indien de uitkering op grond van <a href="/wet/BWBR0004045/artikel/47b" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 47b van de Werkloosheidswet</a>is verminderd, wordt voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen de uitkering in aanmerking genomen alsof die vermindering niet heeft plaatsgevonden.