Indien de belanghebbende geen onderwijs heeft kunnen volgen of indien het gevolgde onderwijs beperkt is gebleven tot basisonderwijs, wordt de grondslag vastgesteld op het bedrag, bedoeld in
artikel 10, achtste lid, onder a, van de wet, tenzij de leeftijd van de belanghebbende, zijn verworven bekwaamheid en zijn persoonlijke instelling ten tijde van de aanvraag duidelijk redenen vormen om daarvan af te wijken.