1. De
artikelen 2 tot en met 4,
6 tot en met 13en
19 van de wetzijn niet van toepassing op:
a. diergeneesmiddelen op basis van radio-actieve isotopen;
b. diergeneesmiddelen die kennelijk uitsluitend bestemd zijn voor aquarium- en terrariumdieren, kooivogels, post- en sierduiven en niet bedrijfsmatig gehouden klein knaagdieren, voorzover deze middelen, behoudens het bepaalde krachtens het tweede lid, geen diergeneesmiddelen bevatten waarop Hoofdstuk IV van de wet van toepassing is of substanties die aangewezen zijn krachtens artikel 5 van de wet;
c. halffabrikaten voor de bereiding van gemedicineerd voeder voor zover deze op bestelling van de bereider van gemedicineerd voeder voor wie zij zijn bestemd worden bereid en rechtstreeks aan hem worden afgeleverd, mits daarin geen andere dan geregistreerde diergeneesmiddelen of diergeneesmiddelen die ingevolge het bepaalde krachtens de wet niet behoeven te worden geregistreerd, zijn verwerkt;
d. auto-vaccins;
e. diergeneesmiddelen die uitsluitend één of meer van de in de bijlage bij dit besluit genoemde substanties als werkzaam bestanddeel bevatten;
f. diergeneesmiddelen die bestemd zijn en uitsluitend worden gebruikt voor toepassing op niet levend materiaal van dierlijke herkomst welk materiaal verkregen wordt zonder dat daarvoor levende weefsels behoeven te worden verbroken.
2. Onze Minister kan diergeneesmiddelen waarop
Hoofdstuk IV van de wetvan toepassing is aanwijzen die, in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onder
b, in de daar bedoelde diergeneesmiddelen mogen voorkomen tot een bij die aanwijzing aangegeven hoeveelheid en met inachtneming van daarbij gestelde regelen.