BWBR0003843
Geldig vanaf 1985-10-28
Artikel 3
Personeelswet Postbank N.V.
1. Met ingang van de overgangsdatum verkrijgen de in artikel 2, zevende lid, bedoelde personeelsleden aanspraken jegens een door de Postbank N.V. aan te wijzen instelling, zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Pensioen- en Spaarfondsenwet1952 ( Stb.275), die gelijkwaardig zijn aan die welke deze personeelsleden op voornoemde datum krachtens de Algemene burgerlijke pensioenwet 1979 ( Stb.679) hebben jegens het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds, en neemt voornoemde instelling de daarmee verband houdende verplichtingen op zich.
2. De aanspraken van de in het eerste lid bedoelde personen krachtens de Algemene Burgerlijke Pensioenwet en de daaruit voortvloeiende verplichtingen van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds jegens die personen vervallen op de overgangsdatum.
3. De directie van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds draagt op de overgangsdatum aan de in het eerste lid bedoelde instelling een bedrag aan middelen over waarvan Onze Ministers van Economische Zaken en Klimaat, van Financiën en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties gezamenlijk, de directie van het fonds en de Commissie bedoeld in artikel L 16 van de Algemene burgerlijke pensioenwet gehoord, de hoogte bepalen aan de hand van de rechten die krachtens de Algemene burgerlijke pensioenwet bij het fonds zijn opgebouwd ten behoeve van de in het eerste lid bedoelde personen, rekening houdend met de actuariële gevolgen voor het fonds van de uittreding van de in het eerste lid bedoelde personen.
2. De aanspraken van de in het eerste lid bedoelde personen krachtens de Algemene Burgerlijke Pensioenwet en de daaruit voortvloeiende verplichtingen van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds jegens die personen vervallen op de overgangsdatum.
3. De directie van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds draagt op de overgangsdatum aan de in het eerste lid bedoelde instelling een bedrag aan middelen over waarvan Onze Ministers van Economische Zaken en Klimaat, van Financiën en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties gezamenlijk, de directie van het fonds en de Commissie bedoeld in artikel L 16 van de Algemene burgerlijke pensioenwet gehoord, de hoogte bepalen aan de hand van de rechten die krachtens de Algemene burgerlijke pensioenwet bij het fonds zijn opgebouwd ten behoeve van de in het eerste lid bedoelde personen, rekening houdend met de actuariële gevolgen voor het fonds van de uittreding van de in het eerste lid bedoelde personen.