BWBR0003833
Geldig vanaf 1985-08-01
Artikel B 14
Besluit trekkende bevolking WPO
1. Het bevoegd gezag van een bijzondere school dat een voertuig bestemd voor de huisvesting wenst met inbegrip van ingrijpende voorzieningen aan een dergelijk voertuig, dient een daartoe strekkend verzoek in bij Onze Minister. Het bevoegd gezag vermeldt de reden en de omvang van de voorziening.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing, indien het bevoegd gezag een andere voorziening wenst die niet het gewoon onderhoud betreft, alsmede indien het bevoegd gezag een aanschaffing wenst te doen waarmee bij de eerste inrichting van de school geen rekening was gehouden.
3. Onze Minister weigert inwilliging van het verzoek, indien hij van oordeel is dat:
a. op andere wijze dan is gevraagd redelijkerwijs in de behoefte aan huisvesting van de school kan worden voorzien;
b. de voorgenomen voorziening niet gerechtvaardigd is op grond van de te verwachten ontwikkeling van het aantal leerlingen;
c. de voorgenomen voorziening niet gerechtvaardigd is op grond van onderwijskundige ontwikkelingen;
d. de voorgenomen voorziening op grond van de hem ten dienste staande gegevens niet noodzakelijk is.
4. Alvorens Onze Minister een besluit neemt die afwijkt van hetgeen in het verzoek is aangegeven, pleegt hij overleg met het bevoegd gezag.
5. Artikel B 13, vierde lid, van dit besluit is van overeenkomstige toepassing.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing, indien het bevoegd gezag een andere voorziening wenst die niet het gewoon onderhoud betreft, alsmede indien het bevoegd gezag een aanschaffing wenst te doen waarmee bij de eerste inrichting van de school geen rekening was gehouden.
3. Onze Minister weigert inwilliging van het verzoek, indien hij van oordeel is dat:
a. op andere wijze dan is gevraagd redelijkerwijs in de behoefte aan huisvesting van de school kan worden voorzien;
b. de voorgenomen voorziening niet gerechtvaardigd is op grond van de te verwachten ontwikkeling van het aantal leerlingen;
c. de voorgenomen voorziening niet gerechtvaardigd is op grond van onderwijskundige ontwikkelingen;
d. de voorgenomen voorziening op grond van de hem ten dienste staande gegevens niet noodzakelijk is.
4. Alvorens Onze Minister een besluit neemt die afwijkt van hetgeen in het verzoek is aangegeven, pleegt hij overleg met het bevoegd gezag.
5. Artikel B 13, vierde lid, van dit besluit is van overeenkomstige toepassing.