BWBR0003807
Geldig vanaf 1985-08-01
Artikel B2
Besluit overgangsmaatregelen b.o. 1985
1. Voor de belanghebbende wordt op 1 augustus 1985 een schaalsalaris vastgesteld in het carrièrepatroon van de functie waarin hij wordt benoemd volgens het bepaalde in hoofdstuk I-Qdan wel hoofdstuk I-R van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel, dat zo dicht mogelijk ligt bij en tenminste gelijk is aan het salaris bij een normbetrekking dat voor hem op 31 juli 1985 gold.
2. Het salaris bij een normbetrekking, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend aan de hand van het feitelijke salaris volgens de schaal die voor de belanghebbende op 31 juli 1985 voor de salarisberekening in aanmerking werd genomen,
a. in voorkomend geval verminderd met het bedrag, bedoeld in artikel I-P8, derde lid, dan wel artikel I-R6, derde lid, van het Rechtspositiebesluit KO/LO;
b. indien de belanghebbende op 31 juli 1985 daarop aanspraak had, verhoogd met: 1. de salarisverhoging bedoeld in een der artikelen I-P8a, I-Q3 en IV-Q7, van het Rechtspositiebesluit KO/LO;
2. de toelage bedoeld in artikel I-P9 dan wel artikel I-R7 van het Rechtspositiebesluit KO/LO dan wel
3. de toelage bedoeld in artikel I-P10 van het Rechtspositiebesluit KO/LO.
1. de salarisverhoging bedoeld in een der artikelen I-P8a, I-Q3 en IV-Q7, van het Rechtspositiebesluit KO/LO;
2. de toelage bedoeld in artikel I-P9 dan wel artikel I-R7 van het Rechtspositiebesluit KO/LO dan wel
3. de toelage bedoeld in artikel I-P10 van het Rechtspositiebesluit KO/LO.
Het bedrag van het evenbedoeld feitelijk salaris, eventueel verminderd met het bedrag van de salarisvermindering bedoeld onder aen eventueel verhoogd met de salarisverhogingen en de toelagen bedoeld onder b, wordt zonodig omgerekend naar een bedrag bij een normbetrekking door vermenigvuldiging met 26/x indien de belanghebbende op 31 juli 1985 verbonden was aan een lagere school of een afdeling voor lager onderwijs van een experimentele basisschool dan wel met 22/x indien de belanghebbende op 31 juli 1985 verbonden was aan een kleuterschool of een kleuterafdeling van een experimentele basisschool, waarbij x is het voor de belanghebbende op 31 juli 1985 geldende getal voor de letter x in de breuk genoemd in artikel I-P21 dan wel artikel I-R17 van het Rechtspositiebesluit KO/LO, waarna de aldus verkregen uitkomst nog wordt verhoogd met de toelage bedoeld in artikel I-U7 van het Rechtspositiebesluit KO/LO indien de belanghebbende op 31 juli 1985 daarop aanspraak had.
3. Indien het salaris van een belanghebbende bij een normbetrekking op 31 juli 1985, berekend volgens het bepaalde in het tweede lid, hoger is dan het maximum van de bij zijn functie behorende maximumschaal per 1 augustus 1985, geschiedt de inpassing op een schaalsalaris dat zo dicht mogelijk ligt bij en ten minste gelijk is aan zijn salaris bij een normbetrekking op 31 juli 1985 en wel in de laagste schaal waarvan het maximum gelijk is aan of hoger is dan dat salaris bij een normbetrekking.
4. Voor de belanghebbende die op 31 juli 1985 in dienst was als hoofdleidster van een kleuterschool en die op 31 juli 1985 in het bezit was van de akte van bekwaamheid als hoofdleidster en het diploma van de applicatiecursus volledig bevoegd onderwijzer, geschiedt de inpassing op het bedrag gelegen onmiddellijk boven het schaalsalaris, vastgesteld volgens het bepaalde in het eerste tot en met derde lid. Indien het ingevolge het eerste lid vastgestelde schaalsalaris gelijk is aan het maximum van de bij zijn functie behorende maximumschaal per 1 augustus 1985, geschiedt voor de in de eerste volzin bedoelde belanghebbende de inpassing op het naasthogere schaalsalaris en wel in de laagste schaal waarvan het maximum hoger is dan het ingevolge het eerste lid vastgestelde schaalsalaris.
5. Voor de toepassing van het bepaalde in artikel I-R106, tweede lid, van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneelwordt de belanghebbende, wiens schaalsalaris aan de hand van dit hoofdstuk wordt vastgesteld in de laagste bij zijn functie behorende aanloopschaal, geacht op 1 augustus 1985 in dienst te zijn getreden.
2. Het salaris bij een normbetrekking, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend aan de hand van het feitelijke salaris volgens de schaal die voor de belanghebbende op 31 juli 1985 voor de salarisberekening in aanmerking werd genomen,
a. in voorkomend geval verminderd met het bedrag, bedoeld in artikel I-P8, derde lid, dan wel artikel I-R6, derde lid, van het Rechtspositiebesluit KO/LO;
b. indien de belanghebbende op 31 juli 1985 daarop aanspraak had, verhoogd met: 1. de salarisverhoging bedoeld in een der artikelen I-P8a, I-Q3 en IV-Q7, van het Rechtspositiebesluit KO/LO;
2. de toelage bedoeld in artikel I-P9 dan wel artikel I-R7 van het Rechtspositiebesluit KO/LO dan wel
3. de toelage bedoeld in artikel I-P10 van het Rechtspositiebesluit KO/LO.
1. de salarisverhoging bedoeld in een der artikelen I-P8a, I-Q3 en IV-Q7, van het Rechtspositiebesluit KO/LO;
2. de toelage bedoeld in artikel I-P9 dan wel artikel I-R7 van het Rechtspositiebesluit KO/LO dan wel
3. de toelage bedoeld in artikel I-P10 van het Rechtspositiebesluit KO/LO.
Het bedrag van het evenbedoeld feitelijk salaris, eventueel verminderd met het bedrag van de salarisvermindering bedoeld onder aen eventueel verhoogd met de salarisverhogingen en de toelagen bedoeld onder b, wordt zonodig omgerekend naar een bedrag bij een normbetrekking door vermenigvuldiging met 26/x indien de belanghebbende op 31 juli 1985 verbonden was aan een lagere school of een afdeling voor lager onderwijs van een experimentele basisschool dan wel met 22/x indien de belanghebbende op 31 juli 1985 verbonden was aan een kleuterschool of een kleuterafdeling van een experimentele basisschool, waarbij x is het voor de belanghebbende op 31 juli 1985 geldende getal voor de letter x in de breuk genoemd in artikel I-P21 dan wel artikel I-R17 van het Rechtspositiebesluit KO/LO, waarna de aldus verkregen uitkomst nog wordt verhoogd met de toelage bedoeld in artikel I-U7 van het Rechtspositiebesluit KO/LO indien de belanghebbende op 31 juli 1985 daarop aanspraak had.
3. Indien het salaris van een belanghebbende bij een normbetrekking op 31 juli 1985, berekend volgens het bepaalde in het tweede lid, hoger is dan het maximum van de bij zijn functie behorende maximumschaal per 1 augustus 1985, geschiedt de inpassing op een schaalsalaris dat zo dicht mogelijk ligt bij en ten minste gelijk is aan zijn salaris bij een normbetrekking op 31 juli 1985 en wel in de laagste schaal waarvan het maximum gelijk is aan of hoger is dan dat salaris bij een normbetrekking.
4. Voor de belanghebbende die op 31 juli 1985 in dienst was als hoofdleidster van een kleuterschool en die op 31 juli 1985 in het bezit was van de akte van bekwaamheid als hoofdleidster en het diploma van de applicatiecursus volledig bevoegd onderwijzer, geschiedt de inpassing op het bedrag gelegen onmiddellijk boven het schaalsalaris, vastgesteld volgens het bepaalde in het eerste tot en met derde lid. Indien het ingevolge het eerste lid vastgestelde schaalsalaris gelijk is aan het maximum van de bij zijn functie behorende maximumschaal per 1 augustus 1985, geschiedt voor de in de eerste volzin bedoelde belanghebbende de inpassing op het naasthogere schaalsalaris en wel in de laagste schaal waarvan het maximum hoger is dan het ingevolge het eerste lid vastgestelde schaalsalaris.
5. Voor de toepassing van het bepaalde in artikel I-R106, tweede lid, van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneelwordt de belanghebbende, wiens schaalsalaris aan de hand van dit hoofdstuk wordt vastgesteld in de laagste bij zijn functie behorende aanloopschaal, geacht op 1 augustus 1985 in dienst te zijn getreden.