BWBR0003781
Geldig vanaf 1985-05-01
Artikel 2
Overgangsmaatregel bovenwettelijke uitkeringen
1. Indien een werknemer uit een vóór 1 november 1984 geldend gebruik dan wel een vóór die datum tot stand gekomen beding, dan wel uit een collectieve voorziening jegens zijn werkgever aanspraak heeft op betaling van loon, daaronder begrepen een aanvulling op de uitkering krachtens de Ziektewet, over het eerste jaar waarin hij wegens ziekte of ongeval verhinderd is zijn arbeid te verrichten:
a. wordt die aanspraak beperkt met 2,5% van het loon waarop de werknemer aanspraak zou hebben kunnen maken indien de verhindering niet zou hebben bestaan, waarbij echter het bedrag waarmede dat loon het bedrag, genoemd in artikel 9, eerste lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (Stb. 1953, 577), overschrijdt buiten beschouwing blijft;
b. vervalt die aanspraak voorzover daaruit voortvloeit dat de door de werknemer op grond van hoofdstuk 3 van de Wet financiering sociale verzekeringen verschuldigde premies geheel of gedeeltelijk voor rekening van de werkgever komen.
2. Het eerste lid geldt zo nodig in afwijking van artikel 629, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.
3. De uit het eerste lid voortvloeiende beperking van aanspraken vindt gedurende de eerste zes weken waarin de in dat lid bedoelde verhindering bestaat geen toepassing voor zover deze beperking ertoe zou leiden dat de som van de uitkering krachtens de Ziekteweten het loon minder bedraagt dan het bedrag waarop de werknemer op grond van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag( Stb.1968, 657) aanspraak zou hebben, indien die verhindering niet zou hebben bestaan.
a. wordt die aanspraak beperkt met 2,5% van het loon waarop de werknemer aanspraak zou hebben kunnen maken indien de verhindering niet zou hebben bestaan, waarbij echter het bedrag waarmede dat loon het bedrag, genoemd in artikel 9, eerste lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (Stb. 1953, 577), overschrijdt buiten beschouwing blijft;
b. vervalt die aanspraak voorzover daaruit voortvloeit dat de door de werknemer op grond van hoofdstuk 3 van de Wet financiering sociale verzekeringen verschuldigde premies geheel of gedeeltelijk voor rekening van de werkgever komen.
2. Het eerste lid geldt zo nodig in afwijking van artikel 629, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.
3. De uit het eerste lid voortvloeiende beperking van aanspraken vindt gedurende de eerste zes weken waarin de in dat lid bedoelde verhindering bestaat geen toepassing voor zover deze beperking ertoe zou leiden dat de som van de uitkering krachtens de Ziekteweten het loon minder bedraagt dan het bedrag waarop de werknemer op grond van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag( Stb.1968, 657) aanspraak zou hebben, indien die verhindering niet zou hebben bestaan.