1. Op verzoek van de verkrijger wordt de omzetting van een niet in de vorm van een door een naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid gedreven onderneming in een wel in zodanige vorm gedreven onderneming niet aangemerkt als een gebeurtenis als bedoeld in
artikel 53b, derde lid, onderdeel a, van de Successiewet 1956, mits de oprichters van de vennootschap in het aandelenkapitaal geheel of nagenoeg geheel in dezelfde verhouding gerechtigd zijn als in het vermogen van de omgezette onderneming.
2. Voor de resterende duur van de termijn van vijf jaren, bedoeld in
artikel 53b, eerste lid, van de Successiewet 1956, treden de in het eerste lid bedoelde vennootschap onderscheidenlijk aandelen voor de toepassing van de
artikelen 53aen
53b van de Successiewet 1956in de plaats van de omgezette onderneming, waarbij voor de toepassing van die artikelen de aandelen worden aangemerkt als een verkrijging in de zin van
artikel 35b, tweede lid, onderdeel b, van de Successiewet 1956.
3. Op verzoek van de verkrijger wordt de ontbinding van een vennootschap met toepassing van
artikel 14c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, niet aangemerkt als een gebeurtenis als bedoeld in
artikel 53b, derde lid, onderdeel b, van de Successiewet 1956, voorzover de onderneming van de vennootschap door de verkrijger wordt voortgezet.
4. Voor de resterende duur van de termijn van vijf jaren, bedoeld in
artikel 53b, eerste lid, van de Successiewet 1956, treedt de in het derde lid bedoelde, door de verkrijger voortgezette onderneming voor de toepassing van de
artikelen 53aen
53b van de Successiewet 1956in de plaats van de in het derde lid bedoelde vennootschap onderscheidenlijk de aandelen van die vennootschap, waarbij voor de toepassing van die artikelen het tot de onderneming behorende vermogen wordt aangemerkt als een verkrijging in de zin van
artikel 35b, tweede lid, onderdeel a, van de Successiewet 1956.
5. Op verzoek van de verkrijger wordt de staking van een onderneming indien sprake is van overheidsingrijpen als bedoeld in artikel
3.54, twaalfde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 niet aangemerkt als een gebeurtenis als bedoeld in
artikel 53b, derde lid, onderdeel a, van de Successiewet 1956, voorzover de waarde van de tot de onderneming behorende vermogensbestanddelen binnen de in
artikel 3.54 van de Wet inkomstenbelasting 2001bedoelde termijn wordt geherinvesteerd in een onderneming waaruit de verkrijger winst geniet.
6. De inspecteur beslist op de in het eerste, derde en vijfde lid bedoelde verzoeken bij voor bezwaar vatbare beschikking.
7.
Artikel 53b, eerste en tweede lid, van de Successiewet 1956blijven buiten toepassing indien:
a. een gebeurtenis als bedoeld in artikel 53b, derde lid, onderdeel a, van die wet zich voordoet ten gevolge van het overlijden van de verkrijger van de onderneming, onderscheidenlijk de in artikel 53b, derde lid, onderdeel b, van die wet bedoelde aandelen of winstbewijzen geacht worden te zijn vervreemd ten gevolge van het overlijden van de verkrijger van die aandelen of winstbewijzen, een en ander voor zover gedurende het bij overlijden nog resterende gedeelte van de termijn, bedoeld in artikel 53b, eerste lid, van die wet bij diens verkrijgers krachtens erfrecht met betrekking tot de onderneming, aandelen of winstbewijzen zich geen gebeurtenis als bedoeld in artikel 53b, derde lid, van die wet, anders dan ten gevolge van overlijden, voordoet;
b. de in artikel 53b, derde lid, onderdeel b, van die wet bedoelde aandelen of winstbewijzen geacht worden te zijn vervreemd ten gevolge van een overgang onder algemene titel krachtens huwelijksvermogensrecht, voor zover gedurende het bij de overgang onder algemene titel krachtens huwelijksvermogensrecht nog resterende gedeelte van de termijn, bedoeld in artikel 53b, eerste lid, van die wet zich met betrekking tot de aandelen of winstbewijzen geen gebeurtenis als bedoeld in artikel 53b, derde lid, van die wet voordoet en de aandelen of winstbewijzen gedurende dit resterende gedeelte van de termijn tot de huwelijksgemeenschap blijven behoren;
c. in gevallen als bedoeld in onderdeel b tijdens de in dat onderdeel bedoelde resterende termijn de huwelijksgemeenschap wordt ontbonden en verdeeld, waarbij de aandelen of winstbewijzen worden toegescheiden aan de oorspronkelijke verkrijger en zich gedurende het op dat moment nog resterende deel van de termijn zich met betrekking tot de aandelen of winstbewijzen geen gebeurtenis voordoet als bedoeld in artikel 53b, derde lid, van die wet.
8. Indien gedurende de termijn van vijf jaren, bedoeld in
artikel 53b, eerste lid, van de Successiewet 1956, een door toepassing van
artikel 35b, vierde lid, van die wetmet een aandeel of winstbewijs gelijkgestelde koopoptie wordt uitgeoefend, treden voor de toepassing van
artikel 53b, derde lid, onderdeel b, van de Successiewet 1956de daardoor verworven aandelen voor de resterende duur van de genoemde termijn in de plaats van die koopoptie.
9. De
artikelen 4.3 tot en met 4.5a van de Wet inkomstenbelasting 2001zijn van overeenkomstige toepassing op
artikel 53b, derde lid, van de Successiewet 1956en de daarop berustende bepalingen in deze regeling.