BWBR0003693
Geldig vanaf 2003-08-11
Artikel 2
Besluit draagkracht burger-oorlogsslachtoffers
1. Bij het bepalen van de financiële draagkracht van het burger-oorlogsslachtoffer ter zake van de toekenning van een tegemoetkoming in kosten van voorzieningen als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0003664/artikel/33" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 33, eerste lid, van de wet</a>wordt als zijn inkomen aangemerkt:
a. de uitkering berekend op grond van hoofdstuk II, paragraaf 3, van de wet met uitzondering van de toeslagen, bedoeld in de artikelen 19, 21 en 22;
b. de inkomensbestanddelen welke op grond van artikel 28 van de wet op de uitkering in mindering worden gebracht indien een uitkering wordt genoten, dan wel in mindering zouden worden gebracht indien een uitkering zou worden genoten met dien verstande dat: 1. in afwijking van artikel 28, eerste lid, onder a, van de wet voor de vaststelling van de bruto-inkomsten uit tegenwoordige arbeid in beroep of bedrijf, na aftrek van verwervingskosten, geen rekening wordt gehouden met een vrijlating van 20% van de uitkeringsgrondslag;
2. in afwijking van artikel 28, eerste lid, onder b, van de wet voor de vaststelling van de inkomsten uit ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet van een gehuwde gerechtigde rekening wordt gehouden met 50% van het aan de gerechtigde en de echtgenoot toegekende ouderdomspensioen krachtens deze wet;
3. geen rekening wordt gehouden met inkomsten uit vermogen als bedoeld in artikel 28, eerste lid, onder c, van de wet.
1. in afwijking van artikel 28, eerste lid, onder a, van de wet voor de vaststelling van de bruto-inkomsten uit tegenwoordige arbeid in beroep of bedrijf, na aftrek van verwervingskosten, geen rekening wordt gehouden met een vrijlating van 20% van de uitkeringsgrondslag;
2. in afwijking van artikel 28, eerste lid, onder b, van de wet voor de vaststelling van de inkomsten uit ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet van een gehuwde gerechtigde rekening wordt gehouden met 50% van het aan de gerechtigde en de echtgenoot toegekende ouderdomspensioen krachtens deze wet;
3. geen rekening wordt gehouden met inkomsten uit vermogen als bedoeld in artikel 28, eerste lid, onder c, van de wet.
2. Bij de vaststelling van het inkomen volgens het eerste lid, wordt uitgegaan van het inkomen zoals dit bij de vaststelling van de uitkering, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0003664/artikel/60" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 60 van de wet</a>, is of zou worden berekend over de maand met ingang waarvan de tegemoetkoming wordt toegekend.
3. Wanneer toepassing is gegeven aan de <a href="/wet/BWBR0003664/artikel/18" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikelen 18</a>of <a href="/wet/BWBR0003664/artikel/32" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">32, vierde lid, van de wet</a>wordt als inkomen aangemerkt het percentage van de grondslag, genoemd in <a href="/wet/BWBR0003664/artikel/18" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 18, eerste lid, onder a, b of c, van de wet</a>.
a. de uitkering berekend op grond van hoofdstuk II, paragraaf 3, van de wet met uitzondering van de toeslagen, bedoeld in de artikelen 19, 21 en 22;
b. de inkomensbestanddelen welke op grond van artikel 28 van de wet op de uitkering in mindering worden gebracht indien een uitkering wordt genoten, dan wel in mindering zouden worden gebracht indien een uitkering zou worden genoten met dien verstande dat: 1. in afwijking van artikel 28, eerste lid, onder a, van de wet voor de vaststelling van de bruto-inkomsten uit tegenwoordige arbeid in beroep of bedrijf, na aftrek van verwervingskosten, geen rekening wordt gehouden met een vrijlating van 20% van de uitkeringsgrondslag;
2. in afwijking van artikel 28, eerste lid, onder b, van de wet voor de vaststelling van de inkomsten uit ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet van een gehuwde gerechtigde rekening wordt gehouden met 50% van het aan de gerechtigde en de echtgenoot toegekende ouderdomspensioen krachtens deze wet;
3. geen rekening wordt gehouden met inkomsten uit vermogen als bedoeld in artikel 28, eerste lid, onder c, van de wet.
1. in afwijking van artikel 28, eerste lid, onder a, van de wet voor de vaststelling van de bruto-inkomsten uit tegenwoordige arbeid in beroep of bedrijf, na aftrek van verwervingskosten, geen rekening wordt gehouden met een vrijlating van 20% van de uitkeringsgrondslag;
2. in afwijking van artikel 28, eerste lid, onder b, van de wet voor de vaststelling van de inkomsten uit ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet van een gehuwde gerechtigde rekening wordt gehouden met 50% van het aan de gerechtigde en de echtgenoot toegekende ouderdomspensioen krachtens deze wet;
3. geen rekening wordt gehouden met inkomsten uit vermogen als bedoeld in artikel 28, eerste lid, onder c, van de wet.
2. Bij de vaststelling van het inkomen volgens het eerste lid, wordt uitgegaan van het inkomen zoals dit bij de vaststelling van de uitkering, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0003664/artikel/60" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 60 van de wet</a>, is of zou worden berekend over de maand met ingang waarvan de tegemoetkoming wordt toegekend.
3. Wanneer toepassing is gegeven aan de <a href="/wet/BWBR0003664/artikel/18" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikelen 18</a>of <a href="/wet/BWBR0003664/artikel/32" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">32, vierde lid, van de wet</a>wordt als inkomen aangemerkt het percentage van de grondslag, genoemd in <a href="/wet/BWBR0003664/artikel/18" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 18, eerste lid, onder a, b of c, van de wet</a>.