BWBR0003612
Geldig vanaf 1983-09-14
Artikel 3a
Vrijstellingsbesluit Kunstmatige zoetstoffen (Warenwet)
1. Vrijstelling wordt verleend:
a. van het verbod vervat in artikel 3 quater, eerste lid, van het Algemeen Besluit (Warenwet) ten aanzien van de aanwezigheid van andere kunstmatige zoetstoffen dan saccharine in eet- en drinkwaren;
b. van de verplichte aanwezigheid van suikers in, en van het voorgeschreven minimum-suikergehalte van waren aangeduid als ‘limonade’, ‘limonade met vruchtenextract’, ‘limonade met plantenextract’, en ‘tonic’, omschreven in artikel 3, eerste lid, onder a, onderscheidenlijk artikel 4, eerste lid, onder a en b, van het Frisdranken- en siropenbesluit (Warenwet) (Stb. 1979, 100); voor zover het betreft de aanwezigheid van de in artikel 1 omschreven kunstmatige zoetstof in als ‘limonade’, ‘limonade met vruchtenextract’, ‘limonade met plantenextract’ en als ‘tonic’ aangeduide waren, onder de voorwaarden opgenomen in het tweede lid.
2. De voorwaarden bedoeld in het eerste lid, zijn de volgende:
a. het gehalte van de in artikel 1, genoemde stoffen mag ten hoogste bedragen:
b. de energiewaarde van de in het eerste lid genoemde drinkwaren mag ten hoogste bedragen 25 kJ per 100 milliliter;
c. de aanduiding van de betrokken waar moet bestaan uit de desbetreffende aanduiding genoemd in artikel 3, onderscheidenlijk artikel 4 van het Frisdranken- en siropenbesluit (Warenwet), vergezeld van ‘met zoetstof’ en ‘calorie-vrij’;
d. in afwijking van het bepaalde in artikel 5, eerste lid, onder b, van het Algemeen Aanduidingenbesluit (Warenwet), moet in de lijst van ingrediënten de groepsnaam ‘kunstmatige zoetstof’ worden gevolgd door de naam van de desbetreffende stof(fen) en de gebruikte hoeveelheden ervan per liter drinkwaar.
e. een aanduiding van het gehalte aan koolhydraten per 100 ml van de waar moet worden gebezigd.
3. Vrijstelling wordt verleend van het verbod vervat in artikel 11, tweede lid, van het Frisdranken- en siropenbesluit ( Warenwet) ten aanzien van de aanwezigheid van een of meer van de in artikel 1genoemde synthetisch bereide verzoetingsmiddelen in waren die in eigenschappen, samenstelling of uiterlijk voorkomen gelijken op de waren bedoeld in dat besluit, zonder dat tegelijkertijd een van de in artikel 9 van het Algemeen Besluit (Warenwet) genoemde aanduidingen wordt gebezigd.
a. van het verbod vervat in artikel 3 quater, eerste lid, van het Algemeen Besluit (Warenwet) ten aanzien van de aanwezigheid van andere kunstmatige zoetstoffen dan saccharine in eet- en drinkwaren;
b. van de verplichte aanwezigheid van suikers in, en van het voorgeschreven minimum-suikergehalte van waren aangeduid als ‘limonade’, ‘limonade met vruchtenextract’, ‘limonade met plantenextract’, en ‘tonic’, omschreven in artikel 3, eerste lid, onder a, onderscheidenlijk artikel 4, eerste lid, onder a en b, van het Frisdranken- en siropenbesluit (Warenwet) (Stb. 1979, 100); voor zover het betreft de aanwezigheid van de in artikel 1 omschreven kunstmatige zoetstof in als ‘limonade’, ‘limonade met vruchtenextract’, ‘limonade met plantenextract’ en als ‘tonic’ aangeduide waren, onder de voorwaarden opgenomen in het tweede lid.
2. De voorwaarden bedoeld in het eerste lid, zijn de volgende:
a. het gehalte van de in artikel 1, genoemde stoffen mag ten hoogste bedragen:
b. de energiewaarde van de in het eerste lid genoemde drinkwaren mag ten hoogste bedragen 25 kJ per 100 milliliter;
c. de aanduiding van de betrokken waar moet bestaan uit de desbetreffende aanduiding genoemd in artikel 3, onderscheidenlijk artikel 4 van het Frisdranken- en siropenbesluit (Warenwet), vergezeld van ‘met zoetstof’ en ‘calorie-vrij’;
d. in afwijking van het bepaalde in artikel 5, eerste lid, onder b, van het Algemeen Aanduidingenbesluit (Warenwet), moet in de lijst van ingrediënten de groepsnaam ‘kunstmatige zoetstof’ worden gevolgd door de naam van de desbetreffende stof(fen) en de gebruikte hoeveelheden ervan per liter drinkwaar.
e. een aanduiding van het gehalte aan koolhydraten per 100 ml van de waar moet worden gebezigd.
3. Vrijstelling wordt verleend van het verbod vervat in artikel 11, tweede lid, van het Frisdranken- en siropenbesluit ( Warenwet) ten aanzien van de aanwezigheid van een of meer van de in artikel 1genoemde synthetisch bereide verzoetingsmiddelen in waren die in eigenschappen, samenstelling of uiterlijk voorkomen gelijken op de waren bedoeld in dat besluit, zonder dat tegelijkertijd een van de in artikel 9 van het Algemeen Besluit (Warenwet) genoemde aanduidingen wordt gebezigd.