BWBR0003549
Geldig vanaf 2015-01-01
Artikel 154
Wet op de expertisecentra
1. Onze Minister kan op aanvraag van het bestuur een instelling, niet zijnde een instelling als bedoeld in artikel 8, eerste lid, tweede en derde volzin, erkennen als bevoegd tot het uitvoeren of onder zijn verantwoordelijkheid doen uitvoeren van het geschiktheidsonderzoek. Erkenning vindt plaats indien het bestuur in zijn aanvraag ten genoegen van Onze Minister aantoont dat de instelling het geschiktheidsonderzoek onafhankelijk, deskundig en betrouwbaar zal uitvoeren. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden vastgesteld met betrekking tot de toepassing van de tweede volzin, waaronder regels over de behandeling en beoordeling van de aanvraag. Een erkende instelling heeft tevens de bevoegdheid tot het verstrekken van geschiktheidsverklaringen op grond van het geschiktheidsonderzoek en tot het doen van voorstellen over de noodzakelijke scholing en begeleiding, met inachtneming van artikel 152, tweede lid, onder c.
2. Ten behoeve van de behandeling van aanvragen om erkenning kan Onze Minister een bij ministeriële regeling te bepalen bijdrage verlangen van het bestuur van de instelling.
3. Onze Minister kan de erkenning intrekken indien de instelling, bedoeld in het eerste lid, naar het oordeel van Onze Minister het geschiktheidsonderzoek niet langer onafhankelijk, deskundig of betrouwbaar uitvoert.
4. Instellingen voor hoger onderwijs die op 31 juli 2006 op grond van de <a href="/wet/BWBR0011469" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Interimwet zij-instroom leraren primair en voortgezet onderwijs</a>bevoegd waren tot het verrichten van een geschiktheidsonderzoek worden aangemerkt als instellingen met een erkenning als bedoeld in het eerste lid.
2. Ten behoeve van de behandeling van aanvragen om erkenning kan Onze Minister een bij ministeriële regeling te bepalen bijdrage verlangen van het bestuur van de instelling.
3. Onze Minister kan de erkenning intrekken indien de instelling, bedoeld in het eerste lid, naar het oordeel van Onze Minister het geschiktheidsonderzoek niet langer onafhankelijk, deskundig of betrouwbaar uitvoert.
4. Instellingen voor hoger onderwijs die op 31 juli 2006 op grond van de <a href="/wet/BWBR0011469" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Interimwet zij-instroom leraren primair en voortgezet onderwijs</a>bevoegd waren tot het verrichten van een geschiktheidsonderzoek worden aangemerkt als instellingen met een erkenning als bedoeld in het eerste lid.