BWBR0003420
Geldig vanaf 2013-07-04
Artikel 4a
Wet op het primair onderwijs
1. Indien het bevoegd gezag op enigerlei wijze bekend is geworden dat een ten behoeve van zijn school met taken belast persoon zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een seksueel misdrijf als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0001854" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Titel XIV van het Wetboek van Strafrecht</a>jegens een leerling van de school, treedt het bevoegd gezag onverwijld in overleg met de vertrouwensinspecteur, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0013800/artikel/6" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 6 van de Wet op het onderwijstoezicht</a>.
2. Indien uit het overleg, bedoeld in het eerste lid, moet worden geconcludeerd dat er sprake is van een redelijk vermoeden dat de desbetreffende persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in het eerste lid jegens een leerling van de school, doet het bevoegd gezag onverwijld aangifte bij een opsporingsambtenaar als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0001903/artikel/127" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 127</a>juncto <a href="/wet/BWBR0001903/artikel/141" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering</a>, en stelt het bevoegd gezag de vertrouwensinspecteur daarvan onverwijld in kennis. Voordat het bevoegd gezag overgaat tot het doen van aangifte, stelt het de ouders van de betrokken leerling, onderscheidenlijk de betreffende ten behoeve van de school met taken belaste persoon, hiervan op de hoogte.
3. Indien een personeelslid op enigerlei wijze bekend is geworden dat een ten behoeve van de school met taken belast persoon zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in het eerste lid jegens een leerling van de school, stelt het personeelslid het bevoegd gezag daarvan onverwijld in kennis.
2. Indien uit het overleg, bedoeld in het eerste lid, moet worden geconcludeerd dat er sprake is van een redelijk vermoeden dat de desbetreffende persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in het eerste lid jegens een leerling van de school, doet het bevoegd gezag onverwijld aangifte bij een opsporingsambtenaar als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0001903/artikel/127" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 127</a>juncto <a href="/wet/BWBR0001903/artikel/141" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering</a>, en stelt het bevoegd gezag de vertrouwensinspecteur daarvan onverwijld in kennis. Voordat het bevoegd gezag overgaat tot het doen van aangifte, stelt het de ouders van de betrokken leerling, onderscheidenlijk de betreffende ten behoeve van de school met taken belaste persoon, hiervan op de hoogte.
3. Indien een personeelslid op enigerlei wijze bekend is geworden dat een ten behoeve van de school met taken belast persoon zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in het eerste lid jegens een leerling van de school, stelt het personeelslid het bevoegd gezag daarvan onverwijld in kennis.