BWBR0003336
Geldig vanaf 1980-10-01
Artikel 7
Besluit ziekenvervoer ziekenfondsverzekering 1980
1. De verzekerde is voor zichzelf en zijn medeverzekerden tezamen ter zake van vervoer overeenkomstig dit besluit een bijdrage verschuldigd van € 81,00 per twaalf maanden;
2a. In afwijking van het eerste lid zijn verzekerden die de leeftijd van 65 jaar hebben bereikt, met elkaar gehuwd zijn en niet duurzaam van elkaar gescheiden leven, voor henzelf en hun medeverzekerden te zamen ter zake van vervoer overeenkomstig dit besluit een bijdrage verschuldigd van € 81,00 per twaalf maanden.
Voor de toepassing van de vorige volzin worden verzekerden die in een kalendermaand de leeftijd van 65 jaar zullen bereiken, geacht de leeftijd van 65 jaar reeds te hebben bereikt met ingang van die kalendermaand.
2b. In afwijking van het eerste lid zijn twee verzekerden die de leeftijd van 65 jaar hebben bereikt, van verschillend of gelijk geslacht zijn, tussen wie geen bloedverwantschap bestaat in de eerste of tweede graad en die zonder met elkaar gehuwd te zijn duurzaam met elkaar gezamenlijke huishouding voeren en beiden een bijdrage leveren in de kosten van de huishouding dan wel op andere wijze in elkaars verzorging voorzien, voor henzelf en hun medeverzekerden te zamen ter zake van vervoer overeenkomstig dit besluit een bijdrage verschuldigd van € 81,00 per twaalf maanden. Voor de toepassing van de vorige volzin worden verzekerden die in een kalendermaand de leeftijd van 65 jaar zullen bereiken, geacht de leeftijd van 65 jaar reeds te hebben bereikt met ingang van die kalendermaand.
3. Het ziekenfonds vergoed aan de verzekerde die gedurende het in het eerste lid vermelde tijdvak voor zichzelf en zijn medeverzekerden tezamen meer dan € 81,00 heeft bijgedragen, tegen overlegging van de bewijsstukken inzake de redenen, tijdstippen en kosten van het vervoer het meerdere en verstrekt de verzekerde een verklaring, dat de bijdrage is voldaan;
4. Een bijdrage is niet verschuldigd ter zake van autovervoer van de verzekerde:
a. van een inrichting waarin hij ten laste van de ziekenfondsverzekering of de bijzondere ziektekostenverzekering is opgenomen, naar een andere inrichting waarin de verzekerde ten laste van de ziekenfondsverzekering of de bijzondere ziektekostenverzekering wordt opgenomen voor het ondergaan van een specialistisch onderzoek of een specialistische behandeling waarvoor in de eerstbedoelde inrichting niet de mogelijkheid bestaat;
b. van een inrichting als bedoeld onder a, naar een persoon, inrichting of instelling met het oog op een specialistisch onderzoek of een specialistische behandeling ten laste van de ziekenfondsverzekering waarvoor in de eerstbedoelde inrichting niet de mogelijkheid bestaat alsmede het vervoer terug naar die inrichting;
c. van een inrichting waarin de verzekerde ten laste van de bijzondere ziektekostenverzekering is opgenomen, naar een persoon, een instelling of een inrichting met het oog op een tandheelkundige behandeling ten laste van de bijzondere ziektekostenverzekering, waarvoor in eerstbedoelde inrichting niet de mogelijkheid bestaat, alsmede het vervoer terug naar die inrichting;
5. Een bijdrage is niet verschuldigd ter zake van vervoer van de verzekerde van en naar Utrecht ter behandeling van rabiës;
6. Een bijdrage is niet verschuldigd ter zake van ambulancevervoer, als bedoeld in de Wet Ambulancevervoer.
2a. In afwijking van het eerste lid zijn verzekerden die de leeftijd van 65 jaar hebben bereikt, met elkaar gehuwd zijn en niet duurzaam van elkaar gescheiden leven, voor henzelf en hun medeverzekerden te zamen ter zake van vervoer overeenkomstig dit besluit een bijdrage verschuldigd van € 81,00 per twaalf maanden.
Voor de toepassing van de vorige volzin worden verzekerden die in een kalendermaand de leeftijd van 65 jaar zullen bereiken, geacht de leeftijd van 65 jaar reeds te hebben bereikt met ingang van die kalendermaand.
2b. In afwijking van het eerste lid zijn twee verzekerden die de leeftijd van 65 jaar hebben bereikt, van verschillend of gelijk geslacht zijn, tussen wie geen bloedverwantschap bestaat in de eerste of tweede graad en die zonder met elkaar gehuwd te zijn duurzaam met elkaar gezamenlijke huishouding voeren en beiden een bijdrage leveren in de kosten van de huishouding dan wel op andere wijze in elkaars verzorging voorzien, voor henzelf en hun medeverzekerden te zamen ter zake van vervoer overeenkomstig dit besluit een bijdrage verschuldigd van € 81,00 per twaalf maanden. Voor de toepassing van de vorige volzin worden verzekerden die in een kalendermaand de leeftijd van 65 jaar zullen bereiken, geacht de leeftijd van 65 jaar reeds te hebben bereikt met ingang van die kalendermaand.
3. Het ziekenfonds vergoed aan de verzekerde die gedurende het in het eerste lid vermelde tijdvak voor zichzelf en zijn medeverzekerden tezamen meer dan € 81,00 heeft bijgedragen, tegen overlegging van de bewijsstukken inzake de redenen, tijdstippen en kosten van het vervoer het meerdere en verstrekt de verzekerde een verklaring, dat de bijdrage is voldaan;
4. Een bijdrage is niet verschuldigd ter zake van autovervoer van de verzekerde:
a. van een inrichting waarin hij ten laste van de ziekenfondsverzekering of de bijzondere ziektekostenverzekering is opgenomen, naar een andere inrichting waarin de verzekerde ten laste van de ziekenfondsverzekering of de bijzondere ziektekostenverzekering wordt opgenomen voor het ondergaan van een specialistisch onderzoek of een specialistische behandeling waarvoor in de eerstbedoelde inrichting niet de mogelijkheid bestaat;
b. van een inrichting als bedoeld onder a, naar een persoon, inrichting of instelling met het oog op een specialistisch onderzoek of een specialistische behandeling ten laste van de ziekenfondsverzekering waarvoor in de eerstbedoelde inrichting niet de mogelijkheid bestaat alsmede het vervoer terug naar die inrichting;
c. van een inrichting waarin de verzekerde ten laste van de bijzondere ziektekostenverzekering is opgenomen, naar een persoon, een instelling of een inrichting met het oog op een tandheelkundige behandeling ten laste van de bijzondere ziektekostenverzekering, waarvoor in eerstbedoelde inrichting niet de mogelijkheid bestaat, alsmede het vervoer terug naar die inrichting;
5. Een bijdrage is niet verschuldigd ter zake van vervoer van de verzekerde van en naar Utrecht ter behandeling van rabiës;
6. Een bijdrage is niet verschuldigd ter zake van ambulancevervoer, als bedoeld in de Wet Ambulancevervoer.