BWBR0003234
Geldig vanaf 1979-12-28
Artikel 17
Wet aansprakelijkheid kernongevallen
1. Ten aanzien van een kernongeval dat plaats vindt op het grondgebied van Nederland, worden de verzender en de vervoerder van de bij dat ongeval betrokken nucleaire stoffen, zomede degene die die stoffen ten tijde van het ongeval voorhanden had, aangemerkt als de exploitant van een in Nederland gelegen kerninstallatie en als zodanig hoofdelijk aansprakelijk gehouden voor de daardoor veroorzaakte schade, tenzij zij bewijzen dat een ander daarvoor aansprakelijk is ingevolge het Verdrag van Parijs of het Gezamenlijk Protocol, zulks met dien verstande dat als bedrag van de gezamenlijke aansprakelijkheid geldt het in artikel 3, onder a), van het Verdrag van Brussel genoemde bedrag.
2. Op de aansprakelijkheid ingevolge het eerste lid zijn artikel 6 van het Verdrag van Parijs en hoofdstuk V, van deze wetmede van toepassing.
3. Het eerste lid geldt niet:
a. ten aanzien van degene die de nucleaire aard van de betrokken stoffen niet kende noch redelijkerwijze had behoren te kennen;
b. ten aanzien van degene die ten tijde van het kernongeval de daarbij betrokken nucleaire stoffen ter voldoening aan een tot vervoer strekkende overeenkomst vervoerde of bij opslag in verband met zodanig vervoer voorhanden had, indien hij redelijkerwijs mocht aannemen: 1e. dat een ander ingevolge het Verdrag van Parijs voor de schade aansprakelijk zou zijn, of
2e. dat een ander ingevolge het eerste lid voor de schade aansprakelijk zou zijn en deze beschikte over een door Onze Minister van Financiën goedgekeurde verzekering of andere financiële zekerheid ter dekking van diens aansprakelijkheid.
1e. dat een ander ingevolge het Verdrag van Parijs voor de schade aansprakelijk zou zijn, of
2e. dat een ander ingevolge het eerste lid voor de schade aansprakelijk zou zijn en deze beschikte over een door Onze Minister van Financiën goedgekeurde verzekering of andere financiële zekerheid ter dekking van diens aansprakelijkheid.
2. Op de aansprakelijkheid ingevolge het eerste lid zijn artikel 6 van het Verdrag van Parijs en hoofdstuk V, van deze wetmede van toepassing.
3. Het eerste lid geldt niet:
a. ten aanzien van degene die de nucleaire aard van de betrokken stoffen niet kende noch redelijkerwijze had behoren te kennen;
b. ten aanzien van degene die ten tijde van het kernongeval de daarbij betrokken nucleaire stoffen ter voldoening aan een tot vervoer strekkende overeenkomst vervoerde of bij opslag in verband met zodanig vervoer voorhanden had, indien hij redelijkerwijs mocht aannemen: 1e. dat een ander ingevolge het Verdrag van Parijs voor de schade aansprakelijk zou zijn, of
2e. dat een ander ingevolge het eerste lid voor de schade aansprakelijk zou zijn en deze beschikte over een door Onze Minister van Financiën goedgekeurde verzekering of andere financiële zekerheid ter dekking van diens aansprakelijkheid.
1e. dat een ander ingevolge het Verdrag van Parijs voor de schade aansprakelijk zou zijn, of
2e. dat een ander ingevolge het eerste lid voor de schade aansprakelijk zou zijn en deze beschikte over een door Onze Minister van Financiën goedgekeurde verzekering of andere financiële zekerheid ter dekking van diens aansprakelijkheid.