BWBR0003231
Geldig vanaf 1976-10-01
Artikel 4
Wet overgangsregeling voor recht op kinderbijslag voor invalide kinderen van 18 tot 27 jaar
1. De artikelen 1, 2en 3vinden slechts toepassing indien een in die artikelen bedoeld kind:
a. op 1 juli 1976 invalide was in de zin van artikel 7, eerste lid, onder f, van de Algemene Kinderbijslagwet;
b. voor het vaststellen van het aantal kinderen, voor wie over het derde kwartaal van het jaar 1976 recht op kinderbijslag of kindertoelage ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet, de Kinderbijslagwet voor loontrekkenden, de Kinderbijslagwet voor kleine zelfstandigen of de Kindertoelageregeling overheidspersoneel (Stb. 1963, 219) bestaat, in aanmerking is genomen.
2. De artikelen 1, 2en 3vinden geen toepassing over kalenderkwartalen, waarin een in die artikelen bedoeld kind recht heeft op toekenning van een uitkering krachtens de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet ( Stb.1977, 496) dan wel ingevolge het bepaalde bij of krachtens artikel 8 of artikel 90 van die wet geen recht op toekenning van een zodanige uitkering heeft.
a. op 1 juli 1976 invalide was in de zin van artikel 7, eerste lid, onder f, van de Algemene Kinderbijslagwet;
b. voor het vaststellen van het aantal kinderen, voor wie over het derde kwartaal van het jaar 1976 recht op kinderbijslag of kindertoelage ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet, de Kinderbijslagwet voor loontrekkenden, de Kinderbijslagwet voor kleine zelfstandigen of de Kindertoelageregeling overheidspersoneel (Stb. 1963, 219) bestaat, in aanmerking is genomen.
2. De artikelen 1, 2en 3vinden geen toepassing over kalenderkwartalen, waarin een in die artikelen bedoeld kind recht heeft op toekenning van een uitkering krachtens de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet ( Stb.1977, 496) dan wel ingevolge het bepaalde bij of krachtens artikel 8 of artikel 90 van die wet geen recht op toekenning van een zodanige uitkering heeft.