BWBR0003178
Geldig vanaf 1978-07-01
Artikel 8
Algemene EEG-IJkregeling
1. Ten aanzien van afzonderlijke onderdelen en afzonderlijke hulpinrichtingen als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van het Algemeen EEG-IJkbesluit, zijn de artikelen 1-3 en 5 van de onderhavige regeling van overeenkomstige toepassing; ten aanzien van het model van zodanige voorwerpen, waarvoor de EEG-modelgoedkeuring op de voet van de artikelen 15, derde lid, en in samenhang daarmede 6, eerste lid, of 11, vierde, zesde en zevende lid, van het Algemeen EEG-IJkbesluit wordt verleend of verlengd, is artikel 4 van de onderhavige regeling van overeenkomstige toepassing.
2. Ten aanzien van afzonderlijke onderdelen en afzonderlijke hulpinrichtingen, die krachtens artikel 24, eerste lid, van het Algemeen EEG-IJkbesluit zijn aangewezen, is - voor zover ten aanzien van die voorwerpen toepassing is gegeven aan de artikelen 24, tweede lid, en, in samenhang daarmede, 18, vijfde lid, van het Algemeen EEG-IJkbesluit - artikel 7, tweede lid, van de onderhavige regeling van overeenkomstige toepassing.
2. Ten aanzien van afzonderlijke onderdelen en afzonderlijke hulpinrichtingen, die krachtens artikel 24, eerste lid, van het Algemeen EEG-IJkbesluit zijn aangewezen, is - voor zover ten aanzien van die voorwerpen toepassing is gegeven aan de artikelen 24, tweede lid, en, in samenhang daarmede, 18, vijfde lid, van het Algemeen EEG-IJkbesluit - artikel 7, tweede lid, van de onderhavige regeling van overeenkomstige toepassing.