BWBR0003120
Geldig vanaf 1977-10-01
Artikel 4
Landbouwkwaliteitsbesluit groenten en fruit
1. De eisen gesteld in artikel 3gelden niet ten aanzien van groenten en fruit:
a. die door de teler daarvan op zijn bedrijf aan de consument voor diens persoonlijke behoeften worden verhandeld;
b. die binnen Nederland door de teler worden verhandeld aan sorteer- en pakstations of aan bewaarinrichtingen, of die van de teler naar deze sorteer- en pakstations of bewaarinrichtingen worden vervoerd;
c. die binnen Nederland van een bewaarinrichting naar een sorteer- en pakstation worden vervoerd;
d. die binnen Nederland van een teler naar een veiling of een ander groothandelscentrum worden vervoerd, of die op een dergelijke veiling of ander groothandelscentrum door een teler worden verhandeld, behoudens dienaangaande gestelde nadere regelen;
e. die worden ingevoerd uit derde landen en onder ambtelijk toezicht, overeenkomstig de door Onze Minister te stellen regelen, in de staat worden gebracht waarin zij voldoen aan de kwaliteitsvoorschriften.
2. Groenten en fruit moeten, in de in het eerste lid, onder aen ebedoelde gevallen, ten minste geschikt zijn voor menselijke consumptie.
a. die door de teler daarvan op zijn bedrijf aan de consument voor diens persoonlijke behoeften worden verhandeld;
b. die binnen Nederland door de teler worden verhandeld aan sorteer- en pakstations of aan bewaarinrichtingen, of die van de teler naar deze sorteer- en pakstations of bewaarinrichtingen worden vervoerd;
c. die binnen Nederland van een bewaarinrichting naar een sorteer- en pakstation worden vervoerd;
d. die binnen Nederland van een teler naar een veiling of een ander groothandelscentrum worden vervoerd, of die op een dergelijke veiling of ander groothandelscentrum door een teler worden verhandeld, behoudens dienaangaande gestelde nadere regelen;
e. die worden ingevoerd uit derde landen en onder ambtelijk toezicht, overeenkomstig de door Onze Minister te stellen regelen, in de staat worden gebracht waarin zij voldoen aan de kwaliteitsvoorschriften.
2. Groenten en fruit moeten, in de in het eerste lid, onder aen ebedoelde gevallen, ten minste geschikt zijn voor menselijke consumptie.