BWBR0003090
Geldig vanaf 1977-08-01
Artikel 2
Brandreglement-rijksmusea 1976
1. Het is verboden in het museum te roken. Van dit verbod kunnen gedeelten van het museum worden uitgezonderd.
2. Werkzaamheden aan installaties mogen alleen worden verricht in opdracht van de Rijksgebouwendienst of het hoofd van dienst, voor zover deze laatste in overleg met de Rijksgebouwendienst is aangewezen als bevoegde instantie.
3. 1. Behoudens de werkzaamheden, bedoeld in het vorige lid, is het verboden brandgevaarlijke werkzaamheden te verrichten in andere dan speciaal daarvoor ingerichte ruimten.
2. Het gebruik van toestellen met open vuur, waarvoor benzine als brandstof moet worden gebruikt, is verboden.
3. Het gebruik van flessen met samengeperste of tot vloeistof verdikte gassen, moet zoveel mogelijk worden vermeden. Indien het gebruik van deze flessen noodzakelijk is voor werkzaamheden, die tot de normale bedrijfsvoering behoren, mogen ze in het gebouw alleen in ruimten genoemd onder 1 of bedoeld in artikel 2 lid 5, aanwezig zijn. Bij voorkeur dienen ze echter op een veilige plaats buiten het gebouw te worden opgesteld. Flessen als hiervoor bedoeld, die nodig zijn voor werkzaamheden, die niet tot de normale bedrijfsvoering behoren, moeten buiten het gebouw worden geplaatst.
4. Indien met open vuur is gewerkt dient de plaats van de werkzaamheden ongeveer één uur na het beeindigen van de werkzaamheden te worden gecontroleerd op achtergebleven vuurresten.
N.B. Ook elektrisch lassen behoort tot de hierbedoelde werkzaamheden.
4. Het gebruik van transportabele verwarmingsapparatuur is verboden. Dit verbod geldt niet voor elektrische apparatuur in werkplaatsen e.d. Het hoofd van dienst kan, onder daarbij te stellen voorwaarden, van geval tot geval ontheffing van deze bepaling verlenen.
5. Brandgevaarlijke stoffen dienen uitsluitend in speciaal daarvoor ingerichte ruimten te worden opgeslagen. De hoeveelheid brandgevaarlijke stof, die in een werkplaats aanwezig is, mag maximaal gelijk zijn aan het dagverbruik.
6. Het is verboden brandgevaarlijke films op te slaan of te vertonen. Het hoofd van dienst kan, onder daarbij te stellen voorwaarden, van geval tot geval ontheffing van deze bepaling verlenen.
7. De rookkanalen moeten tenminste éénmaal per jaar worden gecontroleerd en geveegd.
2. Werkzaamheden aan installaties mogen alleen worden verricht in opdracht van de Rijksgebouwendienst of het hoofd van dienst, voor zover deze laatste in overleg met de Rijksgebouwendienst is aangewezen als bevoegde instantie.
3. 1. Behoudens de werkzaamheden, bedoeld in het vorige lid, is het verboden brandgevaarlijke werkzaamheden te verrichten in andere dan speciaal daarvoor ingerichte ruimten.
2. Het gebruik van toestellen met open vuur, waarvoor benzine als brandstof moet worden gebruikt, is verboden.
3. Het gebruik van flessen met samengeperste of tot vloeistof verdikte gassen, moet zoveel mogelijk worden vermeden. Indien het gebruik van deze flessen noodzakelijk is voor werkzaamheden, die tot de normale bedrijfsvoering behoren, mogen ze in het gebouw alleen in ruimten genoemd onder 1 of bedoeld in artikel 2 lid 5, aanwezig zijn. Bij voorkeur dienen ze echter op een veilige plaats buiten het gebouw te worden opgesteld. Flessen als hiervoor bedoeld, die nodig zijn voor werkzaamheden, die niet tot de normale bedrijfsvoering behoren, moeten buiten het gebouw worden geplaatst.
4. Indien met open vuur is gewerkt dient de plaats van de werkzaamheden ongeveer één uur na het beeindigen van de werkzaamheden te worden gecontroleerd op achtergebleven vuurresten.
N.B. Ook elektrisch lassen behoort tot de hierbedoelde werkzaamheden.
4. Het gebruik van transportabele verwarmingsapparatuur is verboden. Dit verbod geldt niet voor elektrische apparatuur in werkplaatsen e.d. Het hoofd van dienst kan, onder daarbij te stellen voorwaarden, van geval tot geval ontheffing van deze bepaling verlenen.
5. Brandgevaarlijke stoffen dienen uitsluitend in speciaal daarvoor ingerichte ruimten te worden opgeslagen. De hoeveelheid brandgevaarlijke stof, die in een werkplaats aanwezig is, mag maximaal gelijk zijn aan het dagverbruik.
6. Het is verboden brandgevaarlijke films op te slaan of te vertonen. Het hoofd van dienst kan, onder daarbij te stellen voorwaarden, van geval tot geval ontheffing van deze bepaling verlenen.
7. De rookkanalen moeten tenminste éénmaal per jaar worden gecontroleerd en geveegd.