BWBR0003061
Geldig vanaf 1976-11-01
Artikel 2
Besluit registratie toediening Opiumwetmiddelen
1. Een arts die naar het gemeenschappelijk oordeel van de regionale geneeskundige inspecteur van de volksgezondheid en de regionale inspecteur van de volksgezondheid voor de geneesmiddelen niet voldoende aantoont dat hij middelen in de bevonden hoeveelheid tot uitoefening van de geneeskunst behoefde, is verplicht, na een daartoe strekkende gemeenschappelijke schriftelijke aanwijzing van de geneeskundige hoofdinspecteur van de volksgezondheid en de hoofdinspecteur van de volksgezondheid voor de geneesmiddelen, elke toediening in een uitsluitend daartoe bestemd register, ingericht en bijgehouden ten genoegen van voornoemde regionale inspecteurs, in te schrijven, onder vermelding van:
a. de naam en de hoeveelheid van het toegediende middel;
b. de naam en voorletters, alsmede het volledige adres van de persoon aan wie het middel is toegediend;
c. de datum van toediening.
2. Een in het eerste lid bedoelde gemeenschappelijke aanwijzing geldt voor ten hoogste drie jaar; zij wordt door beide hoofdinspecteurs ondertekend en per aangetekende brief ter kennis van de arts gebracht en vermeldt de termijn waarvoor zij geldt.
3. De arts is verplicht het in het eerste lid bedoelde register aan de in dat lid genoemde regionale inspecteurs op hun verzoek ter inzage over te leggen.
a. de naam en de hoeveelheid van het toegediende middel;
b. de naam en voorletters, alsmede het volledige adres van de persoon aan wie het middel is toegediend;
c. de datum van toediening.
2. Een in het eerste lid bedoelde gemeenschappelijke aanwijzing geldt voor ten hoogste drie jaar; zij wordt door beide hoofdinspecteurs ondertekend en per aangetekende brief ter kennis van de arts gebracht en vermeldt de termijn waarvoor zij geldt.
3. De arts is verplicht het in het eerste lid bedoelde register aan de in dat lid genoemde regionale inspecteurs op hun verzoek ter inzage over te leggen.