BWBR0002924
Geldig vanaf 01-01-2002
Artikel 7
Besluit inzake kopiëren van auteursrechtelijk beschermde werken
1. Voor de verveelvoudiging ingevolge de artikelen 2 en 3, artikel 4 voor zover het betreft instellingen van wetenschappelijk onderwijs, en artikel 5 komt aan de rechthebbende op het auteursrecht met ingang van 1 januari 1975 een vergoeding toe van € 0,05 per gekopieerde pagina.
2. Voor de verveelvoudiging ingevolge artikel 4 voor zover het betreft andere onderwijsinstellingen dan instellingen van wetenschappelijk onderwijs komt aan de rechthebbende op het auteursrecht met ingang van 1 januari 1975 een vergoeding toe van € 0,11 per gekopieerde pagina.
3. De verplichting tot betaling van deze vergoedingen rust op degene die de verveelvoudigingen ingevolge de artikelen 2, 3, 4 of 5 vervaardigt of doet vervaardigen; zij vervalt door verloop van drie jaren na het tijdstip waarop het verveelvoudigen heeft plaatsgevonden.
4. De betaling van de in dit artikel bedoelde vergoedingen dient te geschieden aan een door Onze Minister van Justitie aan te wijzen incasso-organisatie, die met uitsluiting van anderen met de inning en verdeling van deze vergoeding is belast.
5. De in het vorige lid bedoelde incasso-organisatie hanteert voor de verdeling van de geïnde vergoedingen een reglement waarmee Onze Minister van Justitie heeft ingestemd. De artikelen 10:28 tot en met 10:31 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.
6. Bij de beschikking, houdende de aanwijzing van de incasso-organisatie, worden regels gesteld betreffende het door Onze Minister van Justitie uit te oefenen toezicht.
2. Voor de verveelvoudiging ingevolge artikel 4 voor zover het betreft andere onderwijsinstellingen dan instellingen van wetenschappelijk onderwijs komt aan de rechthebbende op het auteursrecht met ingang van 1 januari 1975 een vergoeding toe van € 0,11 per gekopieerde pagina.
3. De verplichting tot betaling van deze vergoedingen rust op degene die de verveelvoudigingen ingevolge de artikelen 2, 3, 4 of 5 vervaardigt of doet vervaardigen; zij vervalt door verloop van drie jaren na het tijdstip waarop het verveelvoudigen heeft plaatsgevonden.
4. De betaling van de in dit artikel bedoelde vergoedingen dient te geschieden aan een door Onze Minister van Justitie aan te wijzen incasso-organisatie, die met uitsluiting van anderen met de inning en verdeling van deze vergoeding is belast.
5. De in het vorige lid bedoelde incasso-organisatie hanteert voor de verdeling van de geïnde vergoedingen een reglement waarmee Onze Minister van Justitie heeft ingestemd. De artikelen 10:28 tot en met 10:31 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.
6. Bij de beschikking, houdende de aanwijzing van de incasso-organisatie, worden regels gesteld betreffende het door Onze Minister van Justitie uit te oefenen toezicht.
- Citeren als
- Art. 7
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0002924
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl