1. Het examen bestaat uit:
a. een mondeling gedeelte;
b. een schriftelijk gedeelte.
2. Het mondeling gedeelte omvat de volgende onderdelen:
a. kennis van beroep en functie;
b. kennis van het midden- en kleinbedrijf in de onderscheiden sectoren van het maatschappelijk bestel.
3. Het schriftelijk gedeelte omvat de volgende onderdelen:
a. kennis van de hoofdzaken der administratieve organisatie en van de administratieve techniek (waaronder de controlemogelijkheden), in het bijzonder ten aanzien van de in het tweede lid, onder b, bedoelde sectoren;
b. kennis van de toepassing der fiscale wetgeving;
c. kennis van het sociaal recht;
d. kennis van het privaatrecht.
4. De kandidaat, die in het bezit is van het in artikel 2, eerste lid, onder a, genoemde diploma, is vrijgesteld van het afleggen van het examen voor wat betreft het in het derde lid, onder d, bedoelde onderdeel, mits bij het behalen van dat diploma voor het onderdeel "Recht I" (voorheen: Recht en wetgeving) bij het eerste gedeelte van het examen ten minste het cijfer 6 is behaald, alsmede van het afleggen van het examen voor wat betreft het in het derde lid, onder c, bedoelde onderdeel, mits eerdergenoemd diploma in 1980 of later is uitgereikt en voor het onderwerp "Sociaal Recht", deel uitmakend van het onderdeel "Recht II" (voorheen: Recht en wetgeving) bij het tweede gedeelte van het examen ten minste het cijfer 6 is behaald.
5. De kandidaat, die in het bezit is van het in artikel 2, eerste lid, onder b of c, bedoelde diploma is vrijgesteld van het afleggen van het examen voor wat betreft het in het derde lid, onder d, bedoelde onderdeel, mits bij het behalen van dat diploma voor bedoeld onderdeel ten minste het cijfer 6 is behaald.
6. De kandidaat, die in het bezit is van het in artikel 2, eerste lid, onder d, vermelde diploma, is vrijgesteld van het afleggen van het examen voor wat betreft de in het derde lid, onder cen d, bedoelde onderdelen, indien hij in de desbetreffende onderdelen is geëxamineerd of onder toezicht van een in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken aangewezen vertrouwensman een slottentamen heeft afgelegd en daarbij ten minste het cijfer 6 heeft behaald.
7. De kandidaat, die in het bezit is van het in artikel 2, eerste lid, onder e, vermelde getuigschrift met aanvullende bewijsstukken, is vrijgesteld van het afleggen van het examen voor wat betreft het in het derde lid, onder d, bedoelde onderdeel, alsmede van het examen voor wat betreft het in het derde lid, onder b, bedoelde onderdeel, mits hij in dat onderdeel met goed gevolg tentamen of examen heeft afgelegd.
8. De kandidaat, die in het bezit is van het in artikel 2, eerste lid, onder f, vermelde diploma, is vrijgesteld van het afleggen van het examen voor wat betreft het in het eerste lid, onder b, bedoelde gedeelte.
9. De kandidaat, die in het bezit is van het diploma van de Nederlandse Federatie van Belastingconsulenten of van het diploma van de Broederschap van Belastingconsulenten behaald in 1967 of later, is vrijgesteld van het afleggen van het examen voor wat betreft het in het derde lid, onder b, bedoelde onderdeel.
10. Onze Minister van Economische Zaken kan, in overeenstemming met Onze Minister van Onderwijs en Wetenschappen, andere diploma's aanwijzen waarvan het bezit recht geeft op vrijstelling van het afleggen van het examen voor wat betreft een of meer van de onderdelen, vermeld in het tweede en derde lid. Zodanige vrijstelling kan voorwaardelijk geschieden.