BWBR0002822
Geldig vanaf 1966-07-01
Artikel 2
Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen
1. Waar in deze wet of in de tot haar uitvoering genomen besluiten, wordt gesproken van "aanspraken krachtens een andere wettelijke regeling",
a. worden daaronder begrepen: 1°. voorschriften inzake de doorbetaling van loon bij ziekte aan werknemers van bij de Stichting Pensioenfonds ABP aangesloten privaatrechtelijke lichamen;
2°. aanspraken krachtens een andere wettelijke regeling, indien deze door toedoen van de belanghebbende of in verband met het doormaken van wachtdagen niet kunnen worden geldend gemaakt;
1°. voorschriften inzake de doorbetaling van loon bij ziekte aan werknemers van bij de Stichting Pensioenfonds ABP aangesloten privaatrechtelijke lichamen;
2°. aanspraken krachtens een andere wettelijke regeling, indien deze door toedoen van de belanghebbende of in verband met het doormaken van wachtdagen niet kunnen worden geldend gemaakt;
b. worden daaronder niet begrepen: 1°. aanspraken op een bijzondere invaliditeitsverhoging volgens de daarover bij of krachtens de Kaderwet militaire pensioenen vastgestelde bepalingen;
2°. aanspraken krachtens de Participatiewet.
1°. aanspraken op een bijzondere invaliditeitsverhoging volgens de daarover bij of krachtens de Kaderwet militaire pensioenen vastgestelde bepalingen;
2°. aanspraken krachtens de Participatiewet.
2. Een invaliditeitspensioen en een invaliditeitsverhoging waarop aanspraak bestaat volgens de daarover bij of krachtens de <a href="/wet/BWBR0011955" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Kaderwet militaire pensioenen</a>vastgestelde bepalingen wordt aangemerkt als te zijn verleend ter zake van arbeidsongeschiktheid in de zin van deze wet, tenzij de aanspraak op dat pensioen of die verhoging bestaat ter zake van ziekten of gebreken welke door duidelijk andere oorzaken zijn bepaald dan die welke bepalend zijn voor de mate van arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan recht op uitkering krachtens deze wet bestaat.
3. Arbeidsongeschiktheid, die bestaat op de dag, waarop het verblijf in werkelijke dienst eindigt, wordt geacht op die dag te zijn aangevangen.
4. Het tweede lid is niet van toepassing indien het recht op pensioen of de verhoging wordt ontleend aan een periode van werkelijke dienst die is geëindigd met ingang van een op of na 1 januari 1998 gelegen datum, waarop de gebeurtenis heeft plaatsgevonden op grond waarvan de aanspraak op het invaliditeitspensioen, dan wel de invaliditeitsverhoging, is ontstaan.
a. worden daaronder begrepen: 1°. voorschriften inzake de doorbetaling van loon bij ziekte aan werknemers van bij de Stichting Pensioenfonds ABP aangesloten privaatrechtelijke lichamen;
2°. aanspraken krachtens een andere wettelijke regeling, indien deze door toedoen van de belanghebbende of in verband met het doormaken van wachtdagen niet kunnen worden geldend gemaakt;
1°. voorschriften inzake de doorbetaling van loon bij ziekte aan werknemers van bij de Stichting Pensioenfonds ABP aangesloten privaatrechtelijke lichamen;
2°. aanspraken krachtens een andere wettelijke regeling, indien deze door toedoen van de belanghebbende of in verband met het doormaken van wachtdagen niet kunnen worden geldend gemaakt;
b. worden daaronder niet begrepen: 1°. aanspraken op een bijzondere invaliditeitsverhoging volgens de daarover bij of krachtens de Kaderwet militaire pensioenen vastgestelde bepalingen;
2°. aanspraken krachtens de Participatiewet.
1°. aanspraken op een bijzondere invaliditeitsverhoging volgens de daarover bij of krachtens de Kaderwet militaire pensioenen vastgestelde bepalingen;
2°. aanspraken krachtens de Participatiewet.
2. Een invaliditeitspensioen en een invaliditeitsverhoging waarop aanspraak bestaat volgens de daarover bij of krachtens de <a href="/wet/BWBR0011955" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Kaderwet militaire pensioenen</a>vastgestelde bepalingen wordt aangemerkt als te zijn verleend ter zake van arbeidsongeschiktheid in de zin van deze wet, tenzij de aanspraak op dat pensioen of die verhoging bestaat ter zake van ziekten of gebreken welke door duidelijk andere oorzaken zijn bepaald dan die welke bepalend zijn voor de mate van arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan recht op uitkering krachtens deze wet bestaat.
3. Arbeidsongeschiktheid, die bestaat op de dag, waarop het verblijf in werkelijke dienst eindigt, wordt geacht op die dag te zijn aangevangen.
4. Het tweede lid is niet van toepassing indien het recht op pensioen of de verhoging wordt ontleend aan een periode van werkelijke dienst die is geëindigd met ingang van een op of na 1 januari 1998 gelegen datum, waarop de gebeurtenis heeft plaatsgevonden op grond waarvan de aanspraak op het invaliditeitspensioen, dan wel de invaliditeitsverhoging, is ontstaan.