BWBR0002818
Geldig vanaf 1972-07-01
Artikel 4
Besluit op de uitheemse dieren
1. Hij, die op de dag van inwerkingtreding van dit besluit een inrichting houdt, waarvoor ingevolge het bij en krachtens artikel 3 van de wet bepaalde een vergunning vereist is, wordt geacht die inrichting met vergunning van of vanwege Onze Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk te houden tot zes maanden na die dag.
2. Indien tijdens de in het vorige lid genoemde termijn een vergunning wordt aangevraagd, loopt deze termijn door tot de eerste dag van de derde maand na die, waarin de beslissing op de aanvrage onherroepelijk is geworden.
2. Indien tijdens de in het vorige lid genoemde termijn een vergunning wordt aangevraagd, loopt deze termijn door tot de eerste dag van de derde maand na die, waarin de beslissing op de aanvrage onherroepelijk is geworden.