BWBR0002585
Geldig vanaf 1967-06-01
Artikel 3a
Inrichting rassenlijst voor landbouwgewassen
1. De commissie gaat slechts tot plaatsing op de rassenlijst over wanneer uit deskundig onderzoek, waarbij ten minste is voldaan aan de eisen van bijlage III van richtlijn nr. 2003/90/EGvan de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 6 oktober 2003 houdende bepalingen ter uitvoering van artikel 7 van Richtlijn 2002/53/EGvan de Raad met betrekking tot de kenmerken waartoe het onderzoek van bepaalde rassen van landbouwgewassen zich ten minste moet uitstrekken, en de minimumeisen voor dat onderzoek (Pb EU L 254), is gebleken dat het ras voldoende cultuur- en gebruikswaarde heeft.
2. De commissie draagt zorg voor de bewaring van een dossier waarop een plaatsing als bedoeld in het eerste lid berust. Het dossier bevat alle feiten en gegevens die uit het deskundig onderzoek zijn voortgekomen.
3. Een wijziging van bijlage III van richtlijn nr. 2003/90/EGvan de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 6 oktober 2003 houdende bepalingen ter uitvoering van artikel 7 van Richtlijn 2002/53/EGvan de Raad met betrekking tot de kenmerken waartoe het onderzoek van bepaalde rassen van landbouwgewassen zich ten minste moet uitstrekken, en de minimumeisen voor dat onderzoek (Pb EU L 254), gaat voor de toepassing van deze regeling gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven.
4. Indien een ras of een groep van planten bestaat uit een genetisch gemodificeerd organisme zoals omschreven in artikel 2, tweede lid, van richtlijn nr. 2001/18/EGvan het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 12 maart 2001 inzake de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen in het milieu en tot intrekking van richtlijn 90/220/EEGvan de Raad (Pb EG L 106), uitgezonderd die organismen die zijn verkregen door middel van in bijlage 1B bij die richtlijn vermelde genetische modificatietechnieken, gaat de Commissie slechts tot plaatsing op de Rassenlijst over indien voor het in de handel brengen van dit ras toestemming is verkregen overeenkomstig die richtlijn.
5. Indien materiaal dat is afgeleid van een ras of groep van planten bestemd is voor gebruik als levensmiddel dat valt onder artikel 3 van verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 september 2003 inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (Pb EU L 268), of als diervoeder dat valt onder artikel 15 van de verordening, gaat de commissie slechts tot plaatsing hiervan op de rassenlijst over indien het levensmiddel of het diervoeder overeenkomstig die verordening in de handel mag worden gebracht.
6. De Commissie stelt slechts diegene in de gelegenheid kennis te nemen van een in het eerste lid bedoeld dossier, die heeft aangetoond daarbij een gerechtvaardigd belang te hebben en zich tegenover de Commissie verbindt het ter inzage gegevene uitsluitend voor persoonlijk gebruik te zullen aanwenden.
7. In afwijking van het in het eerste lid bepaalde kan een ras, indien het geen voldoende cultuur- of gebruikswaarde, als bedoeld in het eerste lid, heeft op de Rassenlijst worden geplaatst met de aanduiding U.
2. De commissie draagt zorg voor de bewaring van een dossier waarop een plaatsing als bedoeld in het eerste lid berust. Het dossier bevat alle feiten en gegevens die uit het deskundig onderzoek zijn voortgekomen.
3. Een wijziging van bijlage III van richtlijn nr. 2003/90/EGvan de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 6 oktober 2003 houdende bepalingen ter uitvoering van artikel 7 van Richtlijn 2002/53/EGvan de Raad met betrekking tot de kenmerken waartoe het onderzoek van bepaalde rassen van landbouwgewassen zich ten minste moet uitstrekken, en de minimumeisen voor dat onderzoek (Pb EU L 254), gaat voor de toepassing van deze regeling gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven.
4. Indien een ras of een groep van planten bestaat uit een genetisch gemodificeerd organisme zoals omschreven in artikel 2, tweede lid, van richtlijn nr. 2001/18/EGvan het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 12 maart 2001 inzake de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen in het milieu en tot intrekking van richtlijn 90/220/EEGvan de Raad (Pb EG L 106), uitgezonderd die organismen die zijn verkregen door middel van in bijlage 1B bij die richtlijn vermelde genetische modificatietechnieken, gaat de Commissie slechts tot plaatsing op de Rassenlijst over indien voor het in de handel brengen van dit ras toestemming is verkregen overeenkomstig die richtlijn.
5. Indien materiaal dat is afgeleid van een ras of groep van planten bestemd is voor gebruik als levensmiddel dat valt onder artikel 3 van verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 september 2003 inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (Pb EU L 268), of als diervoeder dat valt onder artikel 15 van de verordening, gaat de commissie slechts tot plaatsing hiervan op de rassenlijst over indien het levensmiddel of het diervoeder overeenkomstig die verordening in de handel mag worden gebracht.
6. De Commissie stelt slechts diegene in de gelegenheid kennis te nemen van een in het eerste lid bedoeld dossier, die heeft aangetoond daarbij een gerechtvaardigd belang te hebben en zich tegenover de Commissie verbindt het ter inzage gegevene uitsluitend voor persoonlijk gebruik te zullen aanwenden.
7. In afwijking van het in het eerste lid bepaalde kan een ras, indien het geen voldoende cultuur- of gebruikswaarde, als bedoeld in het eerste lid, heeft op de Rassenlijst worden geplaatst met de aanduiding U.