De raden en de plaatsvervangende raden in de in artikel 1bedoelde kamer van het gerechtshof te 's-Gravenhage zullen, elk naar de wijze zijner godsdienstige gezindheid, alvorens in bediening te treden, de eed (belofte) afleggen:
"Dat zij getrouw zullen zijn aan de Koning en de
grondwetzullen onderhouden en nakomen.
Dat zij, middellijk noch onmiddellijk, onder welke naam of voorwendsel, tot het verkrijgen hunner aanstelling aan iemand, wie hij ook zij, iets hebben gegeven of beloofd, noch zullen geven of beloven.
Dat zij nimmer enige giften of geschenken zullen aannemen of ontvangen van enig persoon, welke zij weten of vermoeden enig rechtsgeding of zaak te hebben of te zullen krijgen, in welke hun ambtsverrichtingen zouden kunnen te pas komen.
Dat zij zich niet zullen belasten met de consultatie omtrent en de verdediging van zaken, welke bij hen in behandeling zijn of waarvan zij weten of vermoeden, dat deze door hen behandeld zullen worden.
Dat zij zich directelijk noch indirectelijk over enige door hen behandelde aangelegenheid, of die zij weten of vermoeden, dat door hen behandeld zullen worden, in enig bijzonder onderhoud of gesprek zullen inlaten met partijen of dezelver advocaten, procureurs of gemachtigden noch daarover enige bijzondere onderrichting, memorie of schrifturen zullen aannemen.
Dat zij voorts hun posten met eerlijkheid, nauwgezetheid en onzijdigheid, zonder aanzien van personen, zullen waarnemen en zich in de uitoefening van hun bediening gedragen zoals brave en eerlijke ambtenaren betaamt".