BWBR0002564
Geldig vanaf 01-04-1997
Artikel 49a
Mijnreglement continentaal plat
1. Het is verboden olie, een oliehoudend mengsel, sanitair afval of vuilnis vanaf een mijnbouwinstallatie te lozen.
2. Het eerste lid geldt niet ten aanzien van het lozen van:
a. een oliehoudend mengsel in de gevallen en op de wijze als door Onze Minister, in overeenstemming met Onze Ministers van Verkeer en Waterstaat en van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, bepaald;
b. sanitair afval: 1°. vanaf een vast opgestelde niet-bemande mijnbouwinstallatie of een vast opgestelde bemande mijnbouwinstallatie, waarop niet meer dan tien personen aanwezig plegen te zijn;
2°. vanaf een vast opgestelde permanent bemande mijnbouwinstallatie, waarop meer dan 50 personen aanwezig plegen te zijn of een als een geheel verplaatsbare mijnbouwinstallatie, indien dit afval is afgebroken door middel van een biologisch zuiveringssysteem;
3°. vanaf een andere mijnbouwinstallatie, indien dit afval is behandeld door middel van een mechanisch vermalingssysteem;
1°. vanaf een vast opgestelde niet-bemande mijnbouwinstallatie of een vast opgestelde bemande mijnbouwinstallatie, waarop niet meer dan tien personen aanwezig plegen te zijn;
2°. vanaf een vast opgestelde permanent bemande mijnbouwinstallatie, waarop meer dan 50 personen aanwezig plegen te zijn of een als een geheel verplaatsbare mijnbouwinstallatie, indien dit afval is afgebroken door middel van een biologisch zuiveringssysteem;
3°. vanaf een andere mijnbouwinstallatie, indien dit afval is behandeld door middel van een mechanisch vermalingssysteem;
c. vuilnis, voor zover bestaande uit etensresten, in de gevallen en op de wijze als door Onze Minister, in overeenstemming met Onze Ministers van Verkeer en Waterstaat en van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, aangegeven.
3. Het eerste lid geldt evenmin, indien het lozen:
a. noodzakelijk is om de veiligheid van de installatie te verzekeren dan wel om mensenlevens te redden;
b. het gevolg is van schade aan de installatie of aan de uitrusting daarvan, indien na het ontstaan van de schade of na de ontdekking van de lozing alle redelijke voorzorgen zijn getroffen om de verdere lozing te voorkomen of tot een minimum te beperken.
4. Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Ministers van Verkeer en Waterstaat en van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, nadere regelen stellen met betrekking tot de in het tweede en derde lid bedoelde lozingen omtrent:
a. de registratie van toegestane lozingen van oliehoudende mengsels;
b. de controle op het oliegehalte van de toegestane lozingen van oliehoudende mengsels.
2. Het eerste lid geldt niet ten aanzien van het lozen van:
a. een oliehoudend mengsel in de gevallen en op de wijze als door Onze Minister, in overeenstemming met Onze Ministers van Verkeer en Waterstaat en van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, bepaald;
b. sanitair afval: 1°. vanaf een vast opgestelde niet-bemande mijnbouwinstallatie of een vast opgestelde bemande mijnbouwinstallatie, waarop niet meer dan tien personen aanwezig plegen te zijn;
2°. vanaf een vast opgestelde permanent bemande mijnbouwinstallatie, waarop meer dan 50 personen aanwezig plegen te zijn of een als een geheel verplaatsbare mijnbouwinstallatie, indien dit afval is afgebroken door middel van een biologisch zuiveringssysteem;
3°. vanaf een andere mijnbouwinstallatie, indien dit afval is behandeld door middel van een mechanisch vermalingssysteem;
1°. vanaf een vast opgestelde niet-bemande mijnbouwinstallatie of een vast opgestelde bemande mijnbouwinstallatie, waarop niet meer dan tien personen aanwezig plegen te zijn;
2°. vanaf een vast opgestelde permanent bemande mijnbouwinstallatie, waarop meer dan 50 personen aanwezig plegen te zijn of een als een geheel verplaatsbare mijnbouwinstallatie, indien dit afval is afgebroken door middel van een biologisch zuiveringssysteem;
3°. vanaf een andere mijnbouwinstallatie, indien dit afval is behandeld door middel van een mechanisch vermalingssysteem;
c. vuilnis, voor zover bestaande uit etensresten, in de gevallen en op de wijze als door Onze Minister, in overeenstemming met Onze Ministers van Verkeer en Waterstaat en van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, aangegeven.
3. Het eerste lid geldt evenmin, indien het lozen:
a. noodzakelijk is om de veiligheid van de installatie te verzekeren dan wel om mensenlevens te redden;
b. het gevolg is van schade aan de installatie of aan de uitrusting daarvan, indien na het ontstaan van de schade of na de ontdekking van de lozing alle redelijke voorzorgen zijn getroffen om de verdere lozing te voorkomen of tot een minimum te beperken.
4. Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Ministers van Verkeer en Waterstaat en van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, nadere regelen stellen met betrekking tot de in het tweede en derde lid bedoelde lozingen omtrent:
a. de registratie van toegestane lozingen van oliehoudende mengsels;
b. de controle op het oliegehalte van de toegestane lozingen van oliehoudende mengsels.
- Citeren als
- Art. 49a
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0002564
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl