BWBR0002556
Geldig vanaf 1967-03-09
Artikel 5
Verhuis- en verblijfkostenbesluit Ministers en Staatssecretarissen
1. De verhuiskostenvergoeding bestaat uit:
a. een bedrag voor de kosten verbonden aan het vervoer van de betrokkene en zijn gezinsleden, zomede voor inwonend dienstpersoneel, naar de nieuwe woning, welk bedrag zo nodig wordt vermeerderd met een bedrag voor reis- en verblijfkosten, welke de betrokkene en eventueel één of meer van diens gezinsleden vooraf hebben gemaakt ter bezichtiging van woonruimte (reiskosten);
b. een bedrag voor de kosten van vervoer van de bagage en van de inboedel van de betrokkene naar de nieuwe woning, waaronder begrepen de kosten van het in- en uitpakken (transportkosten);
c. een bedrag voor alle andere uit de verhuizing voortvloeiende kosten (andere kosten).
2. In de gevallen, bedoeld in artikel 2, wordt het bedrag, bedoeld in het eerste lid, onder c.,vastgesteld op 10% van het jaarinkomen op de dag, waarop de nieuwe woning wordt betrokken.
3. In de gevallen, bedoeld in artikel 3, wordt het bedrag, bedoeld in het eerste lid, onder c.,vastgesteld op 10% van het jaarinkomen, dat de betrokkene vóór zijn ontslag laatstelijk genoot.
a. een bedrag voor de kosten verbonden aan het vervoer van de betrokkene en zijn gezinsleden, zomede voor inwonend dienstpersoneel, naar de nieuwe woning, welk bedrag zo nodig wordt vermeerderd met een bedrag voor reis- en verblijfkosten, welke de betrokkene en eventueel één of meer van diens gezinsleden vooraf hebben gemaakt ter bezichtiging van woonruimte (reiskosten);
b. een bedrag voor de kosten van vervoer van de bagage en van de inboedel van de betrokkene naar de nieuwe woning, waaronder begrepen de kosten van het in- en uitpakken (transportkosten);
c. een bedrag voor alle andere uit de verhuizing voortvloeiende kosten (andere kosten).
2. In de gevallen, bedoeld in artikel 2, wordt het bedrag, bedoeld in het eerste lid, onder c.,vastgesteld op 10% van het jaarinkomen op de dag, waarop de nieuwe woning wordt betrokken.
3. In de gevallen, bedoeld in artikel 3, wordt het bedrag, bedoeld in het eerste lid, onder c.,vastgesteld op 10% van het jaarinkomen, dat de betrokkene vóór zijn ontslag laatstelijk genoot.