BWBR0002540
Geldig vanaf 2002-02-15
Artikel 3
Uitkeringswet gewezen militairen
1. Het bedrag van de uitkering, waarop de gewezen militair, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, onder 2°, aanspraak heeft is gedurende de eerste 60 maanden gelijk aan 80% van de laatstelijk genoten bezoldiging.
2. Voor zover het totaal aantal volle pensioengeldige dienstjaren op de dag van het ontslag, waarnaar het pensioen ter zake van dat ontslag zal worden berekend, meer dan 30 bedraagt, wordt het in het eerste lid bedoelde bedrag vermeerderd met 0,5 percent van de laatstelijk genoten bezoldiging voor ieder op die dag vol pensioengeldig dienstjaar, met dien verstande dat die vermeerdering ten hoogste 5 percent bedraagt.
3. Het bedrag van de uitkering, waarop de gewezen militair, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, onder 2°, aanspraak heeft is na ommekomst van de eerste 60 maanden gelijk aan 73% van de laatstelijk genoten bezoldiging.
4. Het bedrag van de uitkering, waarop de gewezen militair, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, onder 2°, aanspraak heeft over enige maand is niet lager dan het bedrag van een uitsluitend naar diensttijd berekend pensioen over die maand, waarop de gewezen militair recht zou hebben, indien hij met ingang van de dag van het ontslag zou zijn gepensioneerd.
5. Het vierde lid is mede van toepassing voor tijd die de gewezen militair bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar zal kunnen aanwijzen en die voor de helft van de tijd die in actieve dienst enkelvoudig meetelt of zou meetellen, meetelt voor de berekening van pensioen.
6. Het bedrag van de uitkering, waarop de gewezen militair, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, onder 1°, aanspraak heeft, is gelijk aan 73% van de laatst genoten bezoldiging.
2. Voor zover het totaal aantal volle pensioengeldige dienstjaren op de dag van het ontslag, waarnaar het pensioen ter zake van dat ontslag zal worden berekend, meer dan 30 bedraagt, wordt het in het eerste lid bedoelde bedrag vermeerderd met 0,5 percent van de laatstelijk genoten bezoldiging voor ieder op die dag vol pensioengeldig dienstjaar, met dien verstande dat die vermeerdering ten hoogste 5 percent bedraagt.
3. Het bedrag van de uitkering, waarop de gewezen militair, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, onder 2°, aanspraak heeft is na ommekomst van de eerste 60 maanden gelijk aan 73% van de laatstelijk genoten bezoldiging.
4. Het bedrag van de uitkering, waarop de gewezen militair, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, onder 2°, aanspraak heeft over enige maand is niet lager dan het bedrag van een uitsluitend naar diensttijd berekend pensioen over die maand, waarop de gewezen militair recht zou hebben, indien hij met ingang van de dag van het ontslag zou zijn gepensioneerd.
5. Het vierde lid is mede van toepassing voor tijd die de gewezen militair bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar zal kunnen aanwijzen en die voor de helft van de tijd die in actieve dienst enkelvoudig meetelt of zou meetellen, meetelt voor de berekening van pensioen.
6. Het bedrag van de uitkering, waarop de gewezen militair, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, onder 1°, aanspraak heeft, is gelijk aan 73% van de laatst genoten bezoldiging.