BWBR0002520
Geldig vanaf 2005-03-09
Artikel 21
Verstrekkingenbesluit ziekenfondsverzekering
1. De niet-klinische haemodialyse omvat de hulp, in de omvang en onder de voorwaarden nader door Onze Minister vast te stellen, die wordt verleend:
a. in een dialysecentrum,
b. ten huize van de verzekerde,
c. in een daartoe ingerichte ruimte voor gemeenschappelijk gebruik, in de laatste twee gevallen echter alleen, indien de hulp wordt verleend onder de verantwoordelijkheid van een dialysecentrum.
2. In het in het eerste lid, onder b, bedoelde geval omvat de verstrekking mede
a. vergoeding van de kosten voor redelijkerwijze te verrichten aanpassingen in en van de woning en voor het herstel van de woning in de oorspronkelijke staat,
b. vergoeding van de overige kosten die rechtstreeks met de thuisdialyse samenhangen,
doch uitsluitend indien en voor zover op deze voorzieningen niet ingevolge andere wettelijke regelingen aanspraak kan worden gemaakt.
3. Het College zorgverzekeringen kan nadere regelen stellen met betrekking tot het bepaalde in het tweede lid en stelt tevens jaarlijks een bedrag vast, dat geldt als de in het tweede lid, onder b, bedoelde vergoeding.
4. Voor de niet-klinische haemodialyse dient een indicatie te bestaan. Onze Minister bepaalt wat onder een indicatie wordt verstaan.
a. in een dialysecentrum,
b. ten huize van de verzekerde,
c. in een daartoe ingerichte ruimte voor gemeenschappelijk gebruik, in de laatste twee gevallen echter alleen, indien de hulp wordt verleend onder de verantwoordelijkheid van een dialysecentrum.
2. In het in het eerste lid, onder b, bedoelde geval omvat de verstrekking mede
a. vergoeding van de kosten voor redelijkerwijze te verrichten aanpassingen in en van de woning en voor het herstel van de woning in de oorspronkelijke staat,
b. vergoeding van de overige kosten die rechtstreeks met de thuisdialyse samenhangen,
doch uitsluitend indien en voor zover op deze voorzieningen niet ingevolge andere wettelijke regelingen aanspraak kan worden gemaakt.
3. Het College zorgverzekeringen kan nadere regelen stellen met betrekking tot het bepaalde in het tweede lid en stelt tevens jaarlijks een bedrag vast, dat geldt als de in het tweede lid, onder b, bedoelde vergoeding.
4. Voor de niet-klinische haemodialyse dient een indicatie te bestaan. Onze Minister bepaalt wat onder een indicatie wordt verstaan.