BWBR0002400
Geldig vanaf 1963-03-01
Artikel 5
Besluit ex artikelen 124 en 125 Pachtwet
1. Aan het bestuur van het gerecht worden maandelijks ingezonden:
a. de declaraties wegens vergoedingen, bedoeld in de artikelen 1, 2 en 3;
b. de declaraties wegens reis- en verblijfkosten, bedoeld in artikel 4.
2. De in het eerste lid onder agenoemde declaraties vermelden de dagen, waarop de bijeenkomsten zijn bijgewoond en aan de plaatselijke bezichtiging is deelgenomen en bevatten een verklaring van de voorzitter der pachtkamer, dat de declarant de opgegeven bijeenkomsten heeft bijgewoond of aan de bezichtigingen heeft deelgenomen voor de daarbij aangegeven tijdsduur.
3. De in het eerste lid onder bgenoemde declaraties worden voorzien van een verklaring van de voorzitter der pachtkamer, dat de gedane reizen noodzakelijk waren voor het bijwonen van bijeenkomsten van de pachtkamer, voor het volbrengen van door de pachtkamer opgedragen verrichtingen of voor de installatie van de declarant, dan wel, ingeval van beëdiging, van een verklaring van de rechterlijk ambtenaar, tevens zijnde president van de rechtbank of het gerechtshof ten overstaan van wie de declarant de eed of belofte heeft afgelegd, dat de reis noodzakelijk was in verband met de eedsaflegging.
a. de declaraties wegens vergoedingen, bedoeld in de artikelen 1, 2 en 3;
b. de declaraties wegens reis- en verblijfkosten, bedoeld in artikel 4.
2. De in het eerste lid onder agenoemde declaraties vermelden de dagen, waarop de bijeenkomsten zijn bijgewoond en aan de plaatselijke bezichtiging is deelgenomen en bevatten een verklaring van de voorzitter der pachtkamer, dat de declarant de opgegeven bijeenkomsten heeft bijgewoond of aan de bezichtigingen heeft deelgenomen voor de daarbij aangegeven tijdsduur.
3. De in het eerste lid onder bgenoemde declaraties worden voorzien van een verklaring van de voorzitter der pachtkamer, dat de gedane reizen noodzakelijk waren voor het bijwonen van bijeenkomsten van de pachtkamer, voor het volbrengen van door de pachtkamer opgedragen verrichtingen of voor de installatie van de declarant, dan wel, ingeval van beëdiging, van een verklaring van de rechterlijk ambtenaar, tevens zijnde president van de rechtbank of het gerechtshof ten overstaan van wie de declarant de eed of belofte heeft afgelegd, dat de reis noodzakelijk was in verband met de eedsaflegging.