BWBR0002392
Geldig vanaf 1963-01-16
Artikel 14
Noodwet voedselvoorziening
1. Indien het naar het oordeel van het dagelijks bestuur van een bedrijfslichaam in een der gevallen, genoemd in het tweede lid van artikel 4, niet mogelijk is, dat het bestuur, een commissie uit het midden van het bestuur of een orgaan, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0002058/artikel/88a" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 88a van de Wet op de Bedrijfsorganisatie</a>, bijeenkomt, oefent het dagelijks bestuur de aan het bestuur, die commissie of dat orgaan toekomende bevoegdheden uit.
2. Indien het naar het oordeel van de voorzitter van een bedrijfslichaam in zodanig geval niet mogelijk is, dat het dagelijks bestuur bijeenkomt, oefent hij de aan het dagelijks bestuur toekomende bevoegdheden uit. Indien hij in zodanig geval tevens van oordeel is, dat tengevolge van bedoelde omstandigheden het bestuur, een commissie uit het bestuur of een orgaan, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0002058/artikel/88a" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 88a van de Wet op de Bedrijfsorganisatie</a>, niet kan bijeenkomen, oefent hij ook de aan het bestuur, die commissie of dat orgaan toekomende bevoegdheden uit.
3. Zo spoedig mogelijk legt het dagelijks bestuur, onderscheidenlijk de voorzitter aan het bestuur verantwoording af van hetgeen krachtens de vorige leden is verricht.
2. Indien het naar het oordeel van de voorzitter van een bedrijfslichaam in zodanig geval niet mogelijk is, dat het dagelijks bestuur bijeenkomt, oefent hij de aan het dagelijks bestuur toekomende bevoegdheden uit. Indien hij in zodanig geval tevens van oordeel is, dat tengevolge van bedoelde omstandigheden het bestuur, een commissie uit het bestuur of een orgaan, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0002058/artikel/88a" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 88a van de Wet op de Bedrijfsorganisatie</a>, niet kan bijeenkomen, oefent hij ook de aan het bestuur, die commissie of dat orgaan toekomende bevoegdheden uit.
3. Zo spoedig mogelijk legt het dagelijks bestuur, onderscheidenlijk de voorzitter aan het bestuur verantwoording af van hetgeen krachtens de vorige leden is verricht.