BWBR0002391
Geldig vanaf 1963-01-16
Artikel 1
Vervoersnoodwet
1. In deze wet wordt verstaan onder:
a. "Onze Minister": Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;
b. "vervoermiddelen": 1°. vaartuigen, hoe ook genaamd en van welke aard ook, behalve zeeschepen in de zin van artikel 2, eerste lid, van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek;
2°. motorrijtuigen in de zin van de Wegenverkeerswet 1994 en aanhangwagens, bestemd om door zodanige motorrijtuigen te worden voortbewogen;
3°. spoorvoertuigen;
1°. vaartuigen, hoe ook genaamd en van welke aard ook, behalve zeeschepen in de zin van artikel 2, eerste lid, van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek;
2°. motorrijtuigen in de zin van de Wegenverkeerswet 1994 en aanhangwagens, bestemd om door zodanige motorrijtuigen te worden voortbewogen;
3°. spoorvoertuigen;
c. "houder": hij die als eigenaar of krachtens enige andere rechtstitel gerechtigd is een vervoermiddel te gebruiken.
2. Onder vervoer wordt in deze wet mede verstaan het verplaatsen van vervoermiddelen met behulp van een ander vervoermiddel.
a. "Onze Minister": Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;
b. "vervoermiddelen": 1°. vaartuigen, hoe ook genaamd en van welke aard ook, behalve zeeschepen in de zin van artikel 2, eerste lid, van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek;
2°. motorrijtuigen in de zin van de Wegenverkeerswet 1994 en aanhangwagens, bestemd om door zodanige motorrijtuigen te worden voortbewogen;
3°. spoorvoertuigen;
1°. vaartuigen, hoe ook genaamd en van welke aard ook, behalve zeeschepen in de zin van artikel 2, eerste lid, van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek;
2°. motorrijtuigen in de zin van de Wegenverkeerswet 1994 en aanhangwagens, bestemd om door zodanige motorrijtuigen te worden voortbewogen;
3°. spoorvoertuigen;
c. "houder": hij die als eigenaar of krachtens enige andere rechtstitel gerechtigd is een vervoermiddel te gebruiken.
2. Onder vervoer wordt in deze wet mede verstaan het verplaatsen van vervoermiddelen met behulp van een ander vervoermiddel.