BWBR0002280
Geldig vanaf 1958-05-01
Artikel 2
Reglement voor de grondkamers en de Centrale Grondkamer
1. De eed (belofte), voorgeschreven bij het voorgaande artikel, zal worden afgelegd als volgt:
door de voorzitters, de plaatsvervangende voorzitters, de leden, de plaatsvervangende leden, de secretarissen en de plaatsvervangende secretarissen van de grondkamers ten overstaan van de rechterlijk ambtenaar, tevens zijnde president van de rechtbank, binnen welker rechtsgebied de standplaats is van de grondkamer, waartoe zij behoren;
door de griffier en de plaatsvervangende griffiers van de Centrale Grondkamer ten overstaan van de rechterlijk ambtenaar, tevens zijnde president van het gerechtshof te Arnhem.
2. Van het afleggen van de eed (belofte) in de genoemde colleges wordt een akte opgemaakt.
3. Artikel 9a, tweede lid, van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenarenis van overeenkomstige toepassing.
door de voorzitters, de plaatsvervangende voorzitters, de leden, de plaatsvervangende leden, de secretarissen en de plaatsvervangende secretarissen van de grondkamers ten overstaan van de rechterlijk ambtenaar, tevens zijnde president van de rechtbank, binnen welker rechtsgebied de standplaats is van de grondkamer, waartoe zij behoren;
door de griffier en de plaatsvervangende griffiers van de Centrale Grondkamer ten overstaan van de rechterlijk ambtenaar, tevens zijnde president van het gerechtshof te Arnhem.
2. Van het afleggen van de eed (belofte) in de genoemde colleges wordt een akte opgemaakt.
3. Artikel 9a, tweede lid, van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenarenis van overeenkomstige toepassing.