BWBR0002212
Geldig vanaf 1956-10-01
Artikel 20
Liftenbesluit I
1. Hij, die een lift voorhanden heeft, is verplicht te zorgen, dat:
a. machinekamers, schijvenruimten en schachtputten niet worden gebruikt als bergruimte van voorwerpen, welke niet tot de lift behoren;
b. liftschachten uitsluitend als kokers voor liften en niet voor andere doeleinden worden gebruikt;
c. machinekamers, schijvenruimten en luiken, bestemd voor inspectie en onderhoud, zijn afgesloten met slot en sleutel;
d. de onder c bedoelde sleutels zijn voorzien van aanduidingen en op een uitsluitend voor bevoegden toegankelijke plaats worden bewaard;
e. in de machinekamers een aanwijzing is opgehangen, waarin is aangegeven, op welke wijze de machine met de hand kan worden getornd.
2. Hij die een lift zonder kooiafsluiting voorhanden heeft, welke bestemd is voor het vervoer van goederen onder begeleiding van een persoon, is verplicht te zorgen dat de lift slechts wordt bediend door personen die met die bediening vertrouwd zijn.
a. machinekamers, schijvenruimten en schachtputten niet worden gebruikt als bergruimte van voorwerpen, welke niet tot de lift behoren;
b. liftschachten uitsluitend als kokers voor liften en niet voor andere doeleinden worden gebruikt;
c. machinekamers, schijvenruimten en luiken, bestemd voor inspectie en onderhoud, zijn afgesloten met slot en sleutel;
d. de onder c bedoelde sleutels zijn voorzien van aanduidingen en op een uitsluitend voor bevoegden toegankelijke plaats worden bewaard;
e. in de machinekamers een aanwijzing is opgehangen, waarin is aangegeven, op welke wijze de machine met de hand kan worden getornd.
2. Hij die een lift zonder kooiafsluiting voorhanden heeft, welke bestemd is voor het vervoer van goederen onder begeleiding van een persoon, is verplicht te zorgen dat de lift slechts wordt bediend door personen die met die bediening vertrouwd zijn.