BWBR0002159
Geldig vanaf 1954-12-20
Artikel 2
Besluit vaststelling premieregeling reserve-personeel bij de gronddienst van de Koninklijke Luchtmacht
1. Een militair of gewezen militair, die een verbintenis als bedoeld in artikel 1, in artikel 5, eerste of derde lid - in het laatste geval hetzij voor de eerste maal, hetzij na verlenging voor een tweede maal - of in artikel 6, tweede lid, van het Besluit verbintenissen gronddienst Luchtmacht, ten volle heeft volbracht, dan wel wiens zodanige verbintenis door een niet van zijn handelen of nalaten afhankelijke oorzaak is geëindigd binnen het tijdvak waarvoor zij is aangegaan, heeft voor elke maand welke hij krachtens de bedoelde - eventueel verlengde - verbintenis, anders dan ter voldoening aan de in artikel 1 onder 1° van het vorengenoemde besluit bedoelde verplichting, in werkelijke dienst heeft doorgebracht, aanspraak op een geldelijke uitkering.
2. De in lid 1 bedoelde geldelijke uitkering bedraagt voor een maand:
a. f 166,- indien de militair of gewezen militair op de laatste dag van die maand een officiersrang bekleedde;
b. f 116,- in alle andere dan de onder a bedoelde gevallen.
3. Indien een verbintenis door de in het eerste lid genoemde oorzaak niet ten volle wordt volbracht, wordt voor de berekening van de in dat lid bedoelde geldelijke uitkering een gedeelte van een maand aangemerkt als een volle maand.
2. De in lid 1 bedoelde geldelijke uitkering bedraagt voor een maand:
a. f 166,- indien de militair of gewezen militair op de laatste dag van die maand een officiersrang bekleedde;
b. f 116,- in alle andere dan de onder a bedoelde gevallen.
3. Indien een verbintenis door de in het eerste lid genoemde oorzaak niet ten volle wordt volbracht, wordt voor de berekening van de in dat lid bedoelde geldelijke uitkering een gedeelte van een maand aangemerkt als een volle maand.