BWBR0002066
Geldig vanaf 1951-01-01
Artikel 12
Huurwet
1. De huurcommissie, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0003222/artikel/2" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 2 van de Wet op de huurcommissies</a>, verstrekt desverzocht aan de verhuurder, die de huurder of gewezen huurder tot ontruiming heeft gedagvaard, hetzij een schriftelijke verklaring, houdende dat deze de zaak niet heeft onderverhuurd, hetzij een schriftelijke verklaring, houdende de namen en woonplaatsen der onderhuurders, zomede alle verdere gegevens betreffende de onderhuurders, welke naar het oordeel der commissie ter kennis van de rechter behoren te worden gebracht.
2. De huurcommissie, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0003222/artikel/2" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 2 van de Wet op de huurcommissies</a>, verstrekt desverzocht aan de verhuurder, die niet binnen een maand nadat hij de huurder of gewezen huurder schriftelijk een nieuwe huurovereenkomst heeft aangeboden, met hem daaromtrent tot overeenstemming is gekomen, een schriftelijke verklaring, waarin haar oordeel omtrent de redelijkheid van dat aanbod is vervat en waarin tevens is aangegeven met ingang van welk tijdstip de nieuwe overeenkomst naar haar mening behoort in te gaan. Het bepaalde in artikel 11, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
3. De huurcommissie, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0003222/artikel/2" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 2 van de Wet op de huurcommissies</a>, neemt bij het bepalen van haar, in het tweede lid bedoelde, oordeel de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde regels in acht.
2. De huurcommissie, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0003222/artikel/2" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 2 van de Wet op de huurcommissies</a>, verstrekt desverzocht aan de verhuurder, die niet binnen een maand nadat hij de huurder of gewezen huurder schriftelijk een nieuwe huurovereenkomst heeft aangeboden, met hem daaromtrent tot overeenstemming is gekomen, een schriftelijke verklaring, waarin haar oordeel omtrent de redelijkheid van dat aanbod is vervat en waarin tevens is aangegeven met ingang van welk tijdstip de nieuwe overeenkomst naar haar mening behoort in te gaan. Het bepaalde in artikel 11, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
3. De huurcommissie, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0003222/artikel/2" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 2 van de Wet op de huurcommissies</a>, neemt bij het bepalen van haar, in het tweede lid bedoelde, oordeel de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde regels in acht.