BWBR0002065
Geldig vanaf 1950-10-25
Artikel 15
Wet Overheidsaansprakelijkheid Bezettingshandelingen
1. Het bedrag der schadeloosstelling, toekomende aan degenen, van wie roerende goederen zijn gevorderd bij de beschikkingen van de Ministers van Justitie en van Financiën van 6 Mei 1946, 6e Afdeling, no. 1115 A en B, Generale Thesaurie, Afdeling Juridische Zaken en Bewindvoering no. 221 ( Nederlandse Staatscourantvan 22 Mei 1946, n°. 100) wordt, in afwijking van het bepaalde in het Algemeen Vorderingsbesluit 1940, zoals dit gewijzigd is gehandhaafd bij de Algemeene Vorderingsregeling 1944, vastgesteld overeenkomstig artikel 14, derde lid.
2. Evenwel wordt het bedrag dezer schadeloosstelling vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van het Algemeen Vorderingsbesluit 1940, en van de maatregelen ter uitvoering van dit besluit voorzover:
1°. de belanghebbende onvoorwaardelijk buiten vervolging is gesteld op grond, dat de gerezen verdenking ongegrond is gebleken;
2°. de zaak van de belanghebbende overeenkomstig het Tribunaalbesluit is behandeld, doch de beschuldiging is vervallen verklaard;
3°. de zaak van de belanghebbende aan de kennisneming van de strafrechter is onderworpen, doch zonder oplegging van straf of maatregel is geëindigd.
2. Evenwel wordt het bedrag dezer schadeloosstelling vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van het Algemeen Vorderingsbesluit 1940, en van de maatregelen ter uitvoering van dit besluit voorzover:
1°. de belanghebbende onvoorwaardelijk buiten vervolging is gesteld op grond, dat de gerezen verdenking ongegrond is gebleken;
2°. de zaak van de belanghebbende overeenkomstig het Tribunaalbesluit is behandeld, doch de beschuldiging is vervallen verklaard;
3°. de zaak van de belanghebbende aan de kennisneming van de strafrechter is onderworpen, doch zonder oplegging van straf of maatregel is geëindigd.