BWBR0002049
Geldig vanaf 1949-10-27
Artikel 2
Besluit ex artikel 11 Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers
1. Als het bedrag van de verrekenbare inkomsten, bedoeld in de artikelen 11, eerste en tweede lid, en 20 der wet, wordt, behoudens het bepaalde in of krachtens de tweede, derde en vierde volzin van artikel 11, tweede lid, der weten in de volgende artikelen van dit besluit, aangemerkt het kortingsinkomen vermeerderd met het bedrag van de niet daarin begrepen, door de gepensioneerde of diens niet duurzaam gescheiden van hem levende echtgenoot genoten kinderbijslag, en verminderd met het buitengewoon pensioen en met de in artikel 11, derde lid, der wetbedoelde uitkeringen, pensioenen en andere inkomsten.
2. Voor de toepassing van het bepaalde in het eerste lid worden mede op het kortingsinkomen in mindering gebracht, indien en voor zover daarin begrepen:
a. inkomsten van kinderen die de leeftijd van eenentwintig jaren nog niet hebben bereikt en niet gehuwd zijn of gehuwd geweest zijn, welke niet in de pensioengrondslag zijn opgenomen;
b. een krachtens de Wet bevordering eigenwoningbezit verleende eigenwoningbijdrage;
c. een krachtens enige van overheidswege getroffen maatregel inzake huurtoeslag verleende bijdrage;
d. een uitkering ineens, bedoeld in artikel 42 van het pensioenreglement van het Bedrijfspensioenfonds voor de Koopvaardij;
e. een krachtens de artikelen 7 tot en met 19 van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 verleende uitkering, zomede een toeslag krachtens artikel 21b van evengenoemde wet;
f. een krachtens de artikelen 7 tot en met 24 van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 verleende uitkering of toeslag;
g. een door een gemeente verstrekte bijdrage in de kosten ter verbetering van de woning;
h. de van de Sociale verzekeringsbank krachtens artikel 4:98 van de Algemene wet bestuursrecht ontvangen wettelijke rente;
i. de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 29a van de Algemene nabestaandenwet en artikel 33a van de Algemene Ouderdomswet.
2. Voor de toepassing van het bepaalde in het eerste lid worden mede op het kortingsinkomen in mindering gebracht, indien en voor zover daarin begrepen:
a. inkomsten van kinderen die de leeftijd van eenentwintig jaren nog niet hebben bereikt en niet gehuwd zijn of gehuwd geweest zijn, welke niet in de pensioengrondslag zijn opgenomen;
b. een krachtens de Wet bevordering eigenwoningbezit verleende eigenwoningbijdrage;
c. een krachtens enige van overheidswege getroffen maatregel inzake huurtoeslag verleende bijdrage;
d. een uitkering ineens, bedoeld in artikel 42 van het pensioenreglement van het Bedrijfspensioenfonds voor de Koopvaardij;
e. een krachtens de artikelen 7 tot en met 19 van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 verleende uitkering, zomede een toeslag krachtens artikel 21b van evengenoemde wet;
f. een krachtens de artikelen 7 tot en met 24 van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 verleende uitkering of toeslag;
g. een door een gemeente verstrekte bijdrage in de kosten ter verbetering van de woning;
h. de van de Sociale verzekeringsbank krachtens artikel 4:98 van de Algemene wet bestuursrecht ontvangen wettelijke rente;
i. de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 29a van de Algemene nabestaandenwet en artikel 33a van de Algemene Ouderdomswet.