BWBR0002038
Geldig vanaf 1948-02-29
Artikel 6
Besluit Demobilisatievoorzieningen 1948
1. Militairen ontvangen, overeenkomstig door Onze Ministers van Marine, van Oorlog en van Financiën vast te stellen regelen, een premie voor iedere maand werkelijke dienst, na 6 Juni 1944 in het Oosten verricht, tenzij zij - naar het oordeel van Onze Minister van Marine, onderscheidenlijk Onze Minister van Oorlog - zich tijdens hun verblijf in het Oosten hebben schuldig gemaakt aan ernstig plichtsverzuim of grove misdragingen, in welk geval de premie geheel of gedeeltelijk kan worden ingehouden.
2. Indien een militair vóór de uitbetaling van de premie overlijdt, kan Onze Minister van Marine, onderscheidenlijk Onze Minister van Oorlog, de premie uitkeren aan de weduwe van de militair, of, bij ontstentenis van een weduwe, aan zijn minderjarige wettige of wettig erkende kinderen. Ontbreken ook zodanige kinderen, dan kan de premie, indien de overledene kostwinner was van ouders, broeders, zusters of meerderjarige wettige en wettig erkende kinderen, aan deze betrekkingen worden uitgekeerd.
3. Voor de toepassing van dit artikel wordt de werkelijke dienst in het Oosten geacht aan te vangen op de dag van vertrek uit Nederland met definitieve bestemming voor het Oosten. Onze Minister van Marine, onderscheidenlijk Onze Minister van Oorlog, bepaalt de aanvang van de werkelijke dienst in het Oosten voor militairen, die van elders dan Nederland uit met definitieve bestemming voor het Oosten zijn vertrokken. De werkelijke dienst in het Oosten wordt geacht te eindigen op de dag van terugkeer in Nederland, of, indien de militair tevoren overlijdt, op de dag van overlijden.
2. Indien een militair vóór de uitbetaling van de premie overlijdt, kan Onze Minister van Marine, onderscheidenlijk Onze Minister van Oorlog, de premie uitkeren aan de weduwe van de militair, of, bij ontstentenis van een weduwe, aan zijn minderjarige wettige of wettig erkende kinderen. Ontbreken ook zodanige kinderen, dan kan de premie, indien de overledene kostwinner was van ouders, broeders, zusters of meerderjarige wettige en wettig erkende kinderen, aan deze betrekkingen worden uitgekeerd.
3. Voor de toepassing van dit artikel wordt de werkelijke dienst in het Oosten geacht aan te vangen op de dag van vertrek uit Nederland met definitieve bestemming voor het Oosten. Onze Minister van Marine, onderscheidenlijk Onze Minister van Oorlog, bepaalt de aanvang van de werkelijke dienst in het Oosten voor militairen, die van elders dan Nederland uit met definitieve bestemming voor het Oosten zijn vertrokken. De werkelijke dienst in het Oosten wordt geacht te eindigen op de dag van terugkeer in Nederland, of, indien de militair tevoren overlijdt, op de dag van overlijden.