BWBR0002015
Geldig vanaf 1945-10-29
Artikel 14
Besluit politieke delinquenten 1945
1. Een bewaarde wordt in vrijheid gesteld:
1°. indien blijkt, dat de gerezen verdenking hetzij ongegrond is, hetzij onvoldoende gegrond om voortzetting der bewaring te rechtvaardigen;
2°. indien niet blijkt, dat de schuld van den betrokkene van zoodanigen aard is, dat oplegging van een straf of maatregel ingevolge het Besluit Buitengewoon Strafrecht of het Tribunaalbesluit gerechtvaardigd is te achten;
3°. indien redelijkerwijze moet worden aangenomen, dat de bewaarde bij oplegging van een straf of maatregel ingevolge het Besluit Buitengewoon Strafrecht of het Tribunaalbesluit niet langer van zijn vrijheid zal worden beroofd dan voor den tijd gedurende welken hij in bewaring is geweest;
4°. indien voortzetting van de bewaring, gezien den geestelijken of lichamelijken toestand van den bewaarde of de belangen van zijn gezin in verband met den ernst van de feiten en gedragingen, waarvan hij verdacht wordt, redelijkerwijze niet is gerechtvaardigd.
2. Een bewaarde kan in vrijheid worden gesteld, indien te zijnen aanzien niet is gebleken, dat hij de belangen van den Staat in feite heeft geschaad dan wel het leven, de vrijheid of het goed van medeburgers in feite heeft in gevaar gebracht, terwijl geen gewichtige omstandigheden den ernst van de feiten en gedragingen, waarvan hij verdacht wordt, verzwaren.
3. Indien de bewaarde, die krachtens een der beide voorgaande leden voor invrijheidstelling in aanmerking komt, een vreemdeling is, wordt het dossier in handen gesteld van de korpschef en indien hij geen bekende woon- of verblijfplaats in Nederland heeft gehad, in handen van het hoofd van de Immigratie- en Naturalisatiedienst. Na ontvangst van het dossier wordt zoo spoedig mogelijk beslist of de vreemdeling al dan niet ten fine van uitleiding in bewaring zal blijven.
1°. indien blijkt, dat de gerezen verdenking hetzij ongegrond is, hetzij onvoldoende gegrond om voortzetting der bewaring te rechtvaardigen;
2°. indien niet blijkt, dat de schuld van den betrokkene van zoodanigen aard is, dat oplegging van een straf of maatregel ingevolge het Besluit Buitengewoon Strafrecht of het Tribunaalbesluit gerechtvaardigd is te achten;
3°. indien redelijkerwijze moet worden aangenomen, dat de bewaarde bij oplegging van een straf of maatregel ingevolge het Besluit Buitengewoon Strafrecht of het Tribunaalbesluit niet langer van zijn vrijheid zal worden beroofd dan voor den tijd gedurende welken hij in bewaring is geweest;
4°. indien voortzetting van de bewaring, gezien den geestelijken of lichamelijken toestand van den bewaarde of de belangen van zijn gezin in verband met den ernst van de feiten en gedragingen, waarvan hij verdacht wordt, redelijkerwijze niet is gerechtvaardigd.
2. Een bewaarde kan in vrijheid worden gesteld, indien te zijnen aanzien niet is gebleken, dat hij de belangen van den Staat in feite heeft geschaad dan wel het leven, de vrijheid of het goed van medeburgers in feite heeft in gevaar gebracht, terwijl geen gewichtige omstandigheden den ernst van de feiten en gedragingen, waarvan hij verdacht wordt, verzwaren.
3. Indien de bewaarde, die krachtens een der beide voorgaande leden voor invrijheidstelling in aanmerking komt, een vreemdeling is, wordt het dossier in handen gesteld van de korpschef en indien hij geen bekende woon- of verblijfplaats in Nederland heeft gehad, in handen van het hoofd van de Immigratie- en Naturalisatiedienst. Na ontvangst van het dossier wordt zoo spoedig mogelijk beslist of de vreemdeling al dan niet ten fine van uitleiding in bewaring zal blijven.