BWBR0001997
Geldig vanaf 2004-12-02
Artikel 12
Distributiewet
1. In elken kring is een distributiedienst.
2. De burgemeester is het hoofd van den dienst en als zoodanig met de leiding daarvan belast. Hij kan, onder goedkeuring van Onzen Minister, een ander aanwijzen, die namens hem met de dagelijksche leiding van den dienst is belast. Hij stelt voor dezen een instructie vast.
3. De burgemeester draagt er zorg voor, dat zodanige voorbereidingen getroffen worden, dat in geval van inwerkingtreding van een of meer van de in artikel 24, tweede lid, bedoelde artikelen, de distributiedienst tijdig de noodzakelijke handelingen ter uitvoering van het bij of krachtens die artikelen bepaalde kan verrichten.
4. In het geval, bedoeld in lid 3, onder avan het vorig artikel, regelen de burgemeesters onder Onze goedkeuring de inrichting van den distributiedienst in den kring. Zij kunnen daarbij één der gemeenten als centrale gemeente aanwijzen. Bij de door de burgemeesters te treffen gemeenschappelijke regeling kan geen openbaar lichaam als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingenworden ingesteld. De artikelen 99 tot en met 103l van die wetzijn niet van toepassing.
5. Indien binnen een door Onzen Minister te bepalen termijn een regeling niet aan Onze goedkeuring is onderworpen of Wij die niet goedkeuren, wordt de regeling door Ons vastgesteld.
6. Het bepaalde in de leden 4 en 5 vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van wijziging en opheffing van een gemeenschappelijke regeling.
2. De burgemeester is het hoofd van den dienst en als zoodanig met de leiding daarvan belast. Hij kan, onder goedkeuring van Onzen Minister, een ander aanwijzen, die namens hem met de dagelijksche leiding van den dienst is belast. Hij stelt voor dezen een instructie vast.
3. De burgemeester draagt er zorg voor, dat zodanige voorbereidingen getroffen worden, dat in geval van inwerkingtreding van een of meer van de in artikel 24, tweede lid, bedoelde artikelen, de distributiedienst tijdig de noodzakelijke handelingen ter uitvoering van het bij of krachtens die artikelen bepaalde kan verrichten.
4. In het geval, bedoeld in lid 3, onder avan het vorig artikel, regelen de burgemeesters onder Onze goedkeuring de inrichting van den distributiedienst in den kring. Zij kunnen daarbij één der gemeenten als centrale gemeente aanwijzen. Bij de door de burgemeesters te treffen gemeenschappelijke regeling kan geen openbaar lichaam als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingenworden ingesteld. De artikelen 99 tot en met 103l van die wetzijn niet van toepassing.
5. Indien binnen een door Onzen Minister te bepalen termijn een regeling niet aan Onze goedkeuring is onderworpen of Wij die niet goedkeuren, wordt de regeling door Ons vastgesteld.
6. Het bepaalde in de leden 4 en 5 vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van wijziging en opheffing van een gemeenschappelijke regeling.