BWBR0001988
Geldig vanaf 1937-05-28
Artikel 1
Wet tot reorganisatie van het spoorwegbedrijf
Onze Ministers van Waterstaat en van Financiën worden gemachtigd om voor en namens het Rijk voor zooveel noodig in samenwerking met de N. V. Maatschappij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen (hierna aangeduid als S.S.) en met de N. V. Hollandsche IJzeren Spoorweg Maatschappij (hierna aangeduid als H.S.) en met afwijking van met deze Maatschappijen gesloten, door de wet bekrachtigde overeenkomsten:
a. oprichting te bevorderen van een naamlooze vennootschap "N. V. Nederlandsche Spoorwegen" overeenkomstig de bij deze wet in ontwerp gevoegde statuten met een aandeelenkapitaal van f 10 000 000, waarvan bij de oprichting één aandeel van f 1000 zal worden gesteld ten name van S.S. en één ten name van H.S., en de overige aandeelen door het Rijk worden genomen;
b. over te dragen in eigendom aan de onder a genoemde naamlooze vennootschap de thans ingevolge de overeenkomsten 1890 S.S./H.S. verhuurde Staatsspoorwegen met de overhoeken, welke naar het oordeel van die vennootschap voor het bedrijf noodig zijn, alsmede de op anderen voet aan S.S. of H.S. verhuurde eigendommen, welke het Rijk voor zijn dienst niet meer behoeft, tegen betaling door die vennootschap aan het Rijk van een bedrag van f 10 000 000. Voor zooveel de eigendom van deze spoorwegen na 1921 door naasting is verkregen, vervallen met de overdracht de uit dien hoofde nog op het Rijk, S.S. of H.S. rustende verplichtingen en komen de verplichtingen tot betaling van naastingsprijzen en tot het dragen van uit deze betalingen voortvloeiende lasten te rusten op de N. V. Nederlandsche Spoorwegen;
c. mede te werken tot liquidatie van S.S. en H.S. en tot overdracht van alle eigendommen, rechten en verplichtingen van elk dezer Maatschappijen aan de N. V. Nederlandsche Spoorwegen, met uitzondering van rechten en verplichtingen betreffende obligaties, schuldbekentenissen of aandeelen aan toonder, die ingevolge artikel 3 kunnen worden ingewisseld tegen schuldbewijzen van het Rijk.
a. oprichting te bevorderen van een naamlooze vennootschap "N. V. Nederlandsche Spoorwegen" overeenkomstig de bij deze wet in ontwerp gevoegde statuten met een aandeelenkapitaal van f 10 000 000, waarvan bij de oprichting één aandeel van f 1000 zal worden gesteld ten name van S.S. en één ten name van H.S., en de overige aandeelen door het Rijk worden genomen;
b. over te dragen in eigendom aan de onder a genoemde naamlooze vennootschap de thans ingevolge de overeenkomsten 1890 S.S./H.S. verhuurde Staatsspoorwegen met de overhoeken, welke naar het oordeel van die vennootschap voor het bedrijf noodig zijn, alsmede de op anderen voet aan S.S. of H.S. verhuurde eigendommen, welke het Rijk voor zijn dienst niet meer behoeft, tegen betaling door die vennootschap aan het Rijk van een bedrag van f 10 000 000. Voor zooveel de eigendom van deze spoorwegen na 1921 door naasting is verkregen, vervallen met de overdracht de uit dien hoofde nog op het Rijk, S.S. of H.S. rustende verplichtingen en komen de verplichtingen tot betaling van naastingsprijzen en tot het dragen van uit deze betalingen voortvloeiende lasten te rusten op de N. V. Nederlandsche Spoorwegen;
c. mede te werken tot liquidatie van S.S. en H.S. en tot overdracht van alle eigendommen, rechten en verplichtingen van elk dezer Maatschappijen aan de N. V. Nederlandsche Spoorwegen, met uitzondering van rechten en verplichtingen betreffende obligaties, schuldbekentenissen of aandeelen aan toonder, die ingevolge artikel 3 kunnen worden ingewisseld tegen schuldbewijzen van het Rijk.